![]() |
|
| eetcafé | Amsterdam dinsdag 7 september 2010 |
| HOME | MENU | AGENDA | DE WC DEUR | POëZIESLAG | INSCHRIJVEN | CONTACT | ||
TERUG![]() ![]() ![]() ![]() |
Eerdere columns van Aukelien op deze website
Festina is een goede plek om van elkaar te houden
Toen mijn oma en opa hun huis kochten, stonden ze in een lege woonkamer rond te kijken. ‘Wat vind je?’ vroeg mijn opa aan mijn oma en zij antwoordde: ‘Dit is een goede plek om van elkaar te houden.’ Zo is het gegaan, ze kochten het huis waar zeven kinderen in opgroeiden en laatst sprak ik mijn oma die zei: ‘Ik vind het doodzonde dat we het huis hebben verkocht, die plek maakte liefde makkelijk, begrijp je?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Ach natuurlijk begrijp je dat niet, jij hebt de oorlog ook niet meegemaakt.’
Pas onlangs besefte ik dat ik wel degelijk begreep waar mijn grootmoeder over sprak. Toegegeven dit diepe inzicht vond ik ergens in de droesem van een fles Vin de Sophie, maar het werd me opeens duidelijk: op sommige plekken is het makkelijk houden van elkaar. Bijna al mijn stelletjesvrienden vonden elkaar in Festina.
Ik herinner me de dagen dat MarcJoost schijnbaar doelloos aan de toog van Festina hing en hoe Ingrid dan met tinkelende ogen binnenkwam. Hoe ze langzaam naar elkaar toe trokken. Een biertje, een sigaretje, een grap een lach, een steelse blik, een stille wenk. Hoe hij zei: ‘Hoe kun je nou niet van Ingrid houden en hoe Ingrid dat per ongeluk hoorde en hem verwonderd aankeek. Ze wonen nu al tijden samen en soms als ik bij ze eet dan denk ik wel eens wat heerlijk dat het zo goed gelopen is.
Soms denk ik aan Ruben en Jennifer die elkaar leerde kennen in de luie stoelen die boven in Festina staan. Neeltje, het toenmalige barmeisje, stelde ze aan elkaar voor. Ik herinner me nog zo goed dat we met al onze vrienden boven zaten en Ruben zei: ‘We moeten jullie wat vertellen, Jenn en ik gaan trouwen.’ Hun kindje wordt in september drie jaar.
Als ik lang nadenk dan weet ik zeker dat er die dag zal komen dat ik bij Festina over de drempel huppel en dat ik hem dan zie staan. Die jongen die alles anders maakt door me aan te kijken en te lachen. Dan zal ik naast hem gaan zitten en vertrouwen op de toekomst, want Festina is een uitstekende plek om van elkaar te houden. En gelukkig is het ook een uitstekende plek om dat moment af te wachten.
In Festina is het goed opgroeien
Vorige week werd mijn tante vijftig jaar en terwijl ik van haar huis in Amsterdam Noord naar mijn huis in Amsterdam West liep, passeerde ik een klein café aan de Nieuwendammerdijk. Het Sluisje. Mijn oog viel op twee meisjes die samen pool speelden. Heel lang geleden, op mijn vijftiende was het Sluisje mijn zogenaamde stamkroeg om de doodsimpele reden dat ik door de week niet naar de stad mocht en er geen ander café voor handen was in Amsterdam Noord. Ik speelde daar pool met mijn beste vriendin, zoals deze twee meisje pool speelden.
Toen ik wel op doordeweekse dagen naar de stad mocht, werd de Zotte mijn stamcafé, een kleine pijpenla met Belgisch bier, die gezellig en vol warmte was tot de twee jofele jongens die hem runden de pacht niet meer op konden brengen en alles veranderde door het benauwende beleid dat met de nieuwe wind van management en aangeleerde organistatiekunde de pijpenla ingeblazen werd. Ergens tussen de boodschap dat er niet meer geprikt mocht worden en dat je niet een uur over een biertje mocht doen, kwam het besef: hier kunnen we niet blijven. Naarstig zochten ik en mijn vrienden naar een nieuwe kroeg. Een nieuwe plek. We vonden haar twee grachten verder, aan de Looiersgracht. Bernard ging er zijn poëzie voordragen en inmiddels heeft zijn eerste bundel het licht gezien, Focus.
Festina Lente was de kroeg waar we groot zouden worden, al wisten we dat toen nog niet. De kroeg waar twee van ons tijdelijk zouden gaan werken om op eigen benen te blijven staan, waar drie van ons hun ware liefde tegen het lijf zouden lopen, de kroeg waar we vierden dat we afgestudeerd waren of elkaar troostten als het allemaal weer verschrikkelijk was misgegaan.
In Festina is het goed opgroeien. Het is een vrije wereld vol energie, ideeën en inspiratie, vol talent en menselijke zorg, en misschien dat alle dromen die nu gekoesterd worden nooit uitkomen, dat al deze ideeën nooit vorm krijgen en verwezenlijkt worden, dan is Festina toch nog steeds de plek waar je ze voor het eerst kreeg en omarmde. De plek waar er meer waren zoals jij: mensen vol goede moed, met kracht en mogelijkheden en een heilig geloof in de toekomst.
Festina vind je overal, maar vooral aan de Looiersgracht
Al jaren woont mijn beste vriendin in Italie. Ze houdt van de zon, het strand en spaghetti, maar soms denkt ze met weemoed aan Nederland: ´Auk, weet je wat ik hier zo mis?´
Overal ter wereld kun je een Festina vinden. In Parijs zit ie verstopt aan rue de la Verrerie, waar in de kelder op een accordeon gespeeld wordt terwijl een man of negen de oude schunnige liedjes uit volle borst meebrullen. In Palermo zit Festina in de tweede zijstraat van de Vittorio Emanuele na de kruising met de via Roma. Vita staat achter de bar en lacht naar me als ik binnenkom. Ze vraagt me niet wat ik wil drinken, maar zegt stellig: ´Aukje, una vino rosso di Monreale, si? Ik knik, want zij zal het wel beter weten. Op Avsa, een klein eiland in de zee van Marmara ligt Festina aan het strand. Er staat een zachte bank op een verhoging van waaruit je het water kunt horen komen en gaan, de eigenaars hebben hun cafe langzaam bij elkaar gespraard en verzameld en er heerst een sfeer van ´kom maar binnen, want hier gaat het vast beter.´ Die vrijmoedige gezelligheid kun je overal ter wereld vinden, als je maar goed zoekt.
Toch verlang ik na een week of vier terug naar de Looiersgracht, waar Astrid na haar werk op een kruk ploft en stoer haar sigaretje rookt bij een koud glas bier. Waar Rik op de trap zit te sms-en, waar Emmanuel aan de bar vertelt over zijn dag en zich daarna laat overhalen tot een potje Triviant. Waar Mara met grote ogen vol leven uit de keuken stapt en Charlotte op het bankje buiten aan Suus leert hoe ze muziek kan maken door met haar eigen handen op haar lichaam te slaan. Zittend aan Lago Trasimeno, aan het strand van Avsa, of in rue de la Verrerie kan ik niet anders dan denken: het is lief geprobeerd, maar het is niet hetzelfde, deze kroeg is een kroeg uit een pakje en de houdbaarheidsdatum wordt nu bijna overschreden.
Want al zit Festina overal, er is maar één Astrid, maar één Mara, en één Emannuel, en er is maar één Rik, zoals je van Charlot en Suus nergens substituten vindt. Uiteindelijk zijn het de mensen die een kroeg maken, en al hoor je de zee op Avsa langzaam van eb in vloed veranderen, en al zegt Vita aan het eind van de avond dat we haar auto pakken en nog verder uitgaan, ik mis Felix die klaagt over een koffieboon, Asha´s jongetjeshumor, Adriaans inpertinente vragen: de lome vetrouwdheid van Festina aan de Looiersgracht, waar altijd wel iemand zit op wie ik gesteld ben, waar alles is zoals ik het gewend ben.
‘Kijk, je kunt er dus een biertje inklemmen, maar je kunt er ook nog op fluiten, en het is helemaal oranje.’ Om te demonstreren waar hij het over had blies stamgast Jerry even kort op het fluitje dat bovenin de bierfleshouder verstopt zat. ‘Vol bewondering nam barman Rik het oranje kleinood van hem over om het aan een nadere inspectie te onderwerpen. Eerder die dag had Jerry zijn verworven speelgoed al aan zijn vriendin, en ons barmeisje, Sabine, laten zien maar die had haar schouders opgehaald en naar hem gekeken, zoals vrouwen nou eenmaal kijken naar mannen met WK-speelgoed: met een mengeling van intens medelijden en verbijsterde verwondering over zoveel kleinschalig geluk. ‘Je mag er wel even op blazen hoor, als je wilt,’ zei Jerry tegen Rik, waardoor hij ons een moment terugbracht naar een lang vervlogen kindertijd waarin het ene kind tegen het andere kind zegt: ‘Als je wil, mag jij nu wel heel even op mijn skelter, maar dan wel heel even, want hij blijft van mij.’ Voorzichtig blies Rik op het fluitje. Chiel stak zijn hoofd uit de keuken: ‘Hoor ik daar een fluitje? Wat prachtig! Ik heb gisteren mijn opblaasbare kaas terug gevonden.’
Je eigen krachten kennen
Het Stand-Up Comedy Concours bleek een extravagante uitvoering te zijn van terugkerende nachtmerrie die ik heb: ik zit vast op een eiland en de enige met wie ik contact heb is een voormalig buschauffeur die me op openbaar-vervoer-humor trakteert. In die nachtmerrie heb ik de keuze tussen met hem samen te gaan wonen of mezelf te verdrinken. Ik heb mezelf al honderd keer verdronken.
Het Stand- Up Comedy Concours bleek een concours van gekken te behelzen waar van alles over gezegd kon worden, behalve dat ze grappig waren. Zo was er de jongen die anekdotes had over ogen die over de grond rolden, de jongen die uitlegde dat het niet makkelijk is om jezelf te bevredigen als je geen armen en benen hebt én er was de jongen die wilde kijken of hij de microfoon in zijn kont kon stoppen. Ik dacht terug aan die keer dat ik in het ziekenhuis lag en een vrouw naast me voortdurend scheten liet en dan riep: ‘Drukfout!’ Om het allemaal nog erger te maken bleek die vrouw de moeder te zijn van mijn docent biologie. Hij kwam elke dag langs en telkens als zij ‘drukfout’ riep, zei hij: ‘Zo zie je maar mam, je humor heb je nog.’ Het was allemaal zo pijnlijk, dat ik er wel om kon janken.
Ik keek naar de derde amateur-cabaretier en ik dacht: waar stopt een zoektocht naar erkenning en begint een masochistische reis naar de ondergang? En: waarom wordt erkenning toch altijd boven zelfinzicht geplaatst? Ooit zei een docent tegen mijn moeder: ‘Aukjes krachten liggen niet in de muziek.’ Het bleef een tijdje stil. ‘Ook niet een beetje?’ ‘Ook niet een beetje.’ Op weg naar huis aaide mijn moeder over mijn hoofd en zei: ‘Geeft niks, we vinden wel iets anders en als we niks vinden is het ook niet erg.’
Zaterdag, zittend onder aan de trap in Festina, begreep ik niet waarom al die mensen bovenaan de trap door waren gegaan in grappenmakerij, terwijl hun kracht er niet lag. Ik wilde opstaan, naar de zelfverklaard komediant toe lopen en hem in mijn armen nemen. Ik wilde hem zachtjes heen en weer wiegen en zeggen: ‘Hier moet jij mee stoppen, jij moet niet meer een podium opgaan en grapjes vertellen, want dat is erg voor de anderen. Ga maar lekker naar huis, zet een kop thee voor jezelf en kruip onder de deken, want hier liggen je krachten niet.’ Ik deed het niet, troosten zou het alleen maar erger maken.
Natuurlijk, Festina bleef Festina, een kweekvijver voor cultureel talent, een warm bad voor al wat wensen en dromen kan. Zittend in mijn tot realiteit verworden nachtmerrie bedacht ik dat ik mezelf maar weer gewoon moest verdrinken. Aristoteles zei dat humor de plotselinge begripsverschuiving is, als er één ding is wat alcohol doet...
Koninginnedag Toen ik een volwassen man met groen stoepkrijt de straat voor mijn huis op zag eisen, wist ik dat het alweer bijna zover was: Koninginnedag. De man krijtte zich een weg diep mijn portiek in en op mijn vraag: wat dat te betekenen had, antwoordde hij blij: ‘Jouw portiek is morgen mijn winkel’. ‘Wat verkoop je dan?’ ‘Wafels. Wafels met slagroom ertussen, en kleren die ik nooit meer aanheb.’ ‘Nou, dan zal je wel binnenlopen.’ ‘Bij jou bedoel je?’ ‘Nee, qua geld. Bij mij moet je niet binnenlopen, maar dat heeft met privacy te maken. Aan je stoepkrijt te zien, heb je trouwens wel een stukje trappenhuis meegenomen, of is dat je magazijn?’ Jarenlang had ik een hekel aan Koninginnedag. Opgejaagd door de gedachte dat het misschien ergens anders leuker was, rende ik de hele oranje Jordaan door op zoek naar het feest om uiteindelijk dronken en teleurgesteld in bed te stappen. De volgende dag werd ik dan geteisterd door flash backs: dat laatste biertje dat ik over die kennis heen morste, die gescandeerde bekentenis die ik voor mijn dagboek had moeten bewaren, de verkeerde jongen met zijn tong in mijn mond. Wat vond ik het een hel. Tot ik twee jaar geleden besliste: en nu is het uit met de trieste zoektocht naar feest. Nu blijf ik gewoon staan voor Festina en als het feest naar mij toe wil komen mag dat, maar ik ga er niet meer achteraan. Sinds die beslissing zijn mijn Koninginnedagen gelukkige dagen. Op de 29ste verworden de Festinabarmannen tot bandleden en zingen barmeisjes de sterren zo van de brug de hemel in. Aan de buitentaps wordt doorgetapt dat het een aard heeft en wie in de vroegste uren angs Festina loopt, ziet daar soms Sander liggen, die normaal avondkeuken doet, maar zich één nacht per jaar bierbewaker mag noemen, want meer dan van Koningin Beatrix is de 30ste de dag van Koning Pinterman en daar is Sander tot lijfwacht van benoemd. Gedurende de dag danst Asha haar benen moe achter de toog, terwijl Astrid ernstig inspecteert of er wel genoeg te eten is voor iedereen. Erica tapt met vrolijke ogen geduldig de buitentap leeg terwijl Sabine onvermoeibaar de zoveelste fles cola leegschenkt. Felix drinkt blauwbloedig zijn champagne, zoals een Jonkheer betaamt hoort hij gemoedelijk het gebabbel aan van al wat langs kuiert. Ze zeggen dat als je als mens lang genoeg aan de Champs-Elysées blijft zitten, de hele wereldbevolking aan je neus voorbij trekt, zo is dat met Festina op Koninginnedag. Wie lang genoeg blijft staan ziet elke stamgast en al zijn vrienden langzaam voorbij schuifelen. Wie lang genoeg blijft staan krijgt lauwe witte wijn uit Eus’ rugzak, drinkt Cava met Linquina, plast bij Onno zijn blaas leeg en danst met Bernard die af en toe verward uitroept dat hij Billy Idol is en komt tot het besef: beter dan dit wordt het niet snel. Als alle kleedjes leeg gekocht zijn en elke nieuw te ondernemen tocht er alleen maar een naar huis kan zijn, haast ik me langzaam de Looiersgracht uit. Voor mijn deur koop ik een wafel met slagroom:‘Wat krijg je van me?’ ‘Vijftig cent, het is opheffingsuitverkoop, alles moet weg.’’ Jorrit en de goede afloop ‘Jij komt er hier nooit meer in!’ schreeuwde Jorrit zeven jaar geleden na een diepgravende ruzie aan zijn toog.
Zeven jaar later en zowel Jorrit en ik zijn ouder geworden, hij kreeg twee kinderen en er was die dag dat hij besliste dat hij de slechtste DJ van de wereld kon worden, als hij zijn kans maar greep en zijn schouders eronder zette. Die avond dansten we op krakerige platen de nacht weg, want in Festina is er altijd ruimte voor inschattingsfouten, vooral als ze een komisch element in zich dragen. Zoals de keer dat Jorrit het plan opvatte om op de brommer naar Spanje te stappen. ‘Ik ga daar een kroeg opzetten.’ Met de zuiderzon sputterde hij weg om met de noorderzon weer terug te komen, Spanje had al kroegen genoeg. ‘Jij komt er hier nooit meer in!’ Zeven jaar geleden en we hebben allebei kraaienpootjes gekregen. Ik zit op het terras van Festina en bedel om een mop, want een goede barman heeft altijd een grap paraat. En als ik hem daarna om sigaretten op de rekening vraag, haalt hij geen geld maar een pakje voor me, want waarom zou je het ingewikkelder maken dan het is? Waarom zouden er twee mensen moeten lopen om één wens te vervullen? In zeven jaar verandert de wereld, oorlogen worden afgesproken, nieuwe landen ontstaan uit andere landen zonder dat er echt grensverleggend werk verricht is en elk jaar beslissen tientallen mensen dat het een strak plan is om met z’n allen de Noordzee in te duiken ten einde raad de eerste onderkoeling van het nieuwe jaar op te lopen. De wereld zit vol gekken en vol inschattingsfouten waar niemand tijd en ruimte voor heeft, maar aan de Looiersgracht is dat kleine stukje wereld waar Jorrit een kopje koffie aan je geeft en vraagt: 15 maart 2006 |