Amsterdam zondag 5 september 2010
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG




Verslag 9e grande finale poëzieslag

De strijd der Titanen
verslag door Aukelien Weverling

Het is drie uur als Van 206 het in toenemende publiek begint op te warmen met vrolijke meisjespop. Ondanks het donkere wolkendek boven de brug zijn ze er nu allemaal, de winnaars & wildcardhouders van de maandelijkse poëzieslagen.
Aaghenende, Emma Burns, Nafiss Nia, Robin Veen, Kapitein Lafbek, Laura, Martijn den Bakker, Hedwieg Baardman, Boris de Jong en Sander Meij, dat zijn de dichters waar het vandaag omgaat.
De dichters die dit jaar geselecteerd werden door Sven Ariaans en Simon Vinkenoog, bijgestaan door gastjuryleden als Lucas Laherto Hirsch, Florence Tonk en Helene Gelens.
Vandaag heeft Diana Ozon een plek aan de jurytafel ingenomen. De Grande Finale van de Poëzieslag 2007 staat op het punt te beginnen.

Tussen het publiek door schuifelt Emma Burns: ‘God wat ben ik zenuwachtig,’ vertrouwt ze Martijn den Bakker toe. Die handwringend van de kou en zenuwen knikt. Lang hoeven ze niet meer te wachten want gastpresentator Bart is al naar het katheder gelopen, hij valt vanavond in voor wildcardhouder Sander Meij, die gewoonlijk de aankondigingen voor zijn rekening neemt. Dat het 30 juni is mag niet baten, het is koud, het is nat, het is zomer in Nederland, gelukkig trekt niemand zich daar iets van aan. Vrolijk worden de paraplu’s uitgeklapt door het publiek dat deze eerste ronde in de motregen toch graag wil volgen.  

De oude Aaghenende bijt de spits af. 75 jaar en strak in het pak schudt hij iedereen wakker met zinnen als: ‘Je kont in jarretels’ en beelden over een ‘teringachtig kind.’
Na hem brengt Emma Burns haar toegankelijke poëzie met melodieuze stem om van te houden en zwarte nagellak om van te huiveren. Veel van haar werk is al eerder gehoord, maar gelukkig verveelt het niet.
De Iraneze Nafiss Nia zegt: ‘Zing voor de schaduwen / En de strakke gezichten in het donker.’ Ze heeft het ook over een treurwilg om je leed aan te hangen. Ja,ja, hang het maar in de wilgen al dat leed, gelukkig trekt Nia het niveau niet geheel met de takken van de treurwilg het water in, want na haar komt de kersverse Buddingh’-prijswinnaar Bernhard Wesseling een toegift geven.
Hij draagt zijn gedicht op aan Erik Jan Harmens, die zich bij de juryleden heeft gevoegd en vrolijk meekeuvelt onder het zeil dat de regen tegenhoudt. In de NRC werd Wesseling geduid als een dichter van de Festinaschool. Mocht er sprake zijn van een Festinaschool dan maakt Harmens daar zeker deel van uit en vanavond zal duidelijk worden wie zich daarbij mag voegen. Waarschijnlijk wordt dat niet Nafiss Nia.

Robin Veen is dit jaar zowel winnaar van een van de maandelijkse finale geworden, als ontvanger van een wildcard. Hij heeft beslist een flink aantal gedichten voor te dragen die de zee als onderwerp hebben. Zo horen we hem zeggen: ‘De zee heeft mijn voeten al veroverd.’ En blijft uit het gedicht ‘Kust’ hangen: ‘Na het avondmaal/ droeg zij haar geilheid/ bergopwaarts.’ Ach ja, altijd wat te doen, het moet allemaal gebeuren.

Kapitein Lafbek is aan de beurt, hij is rentenier en garagehouder. ‘Ik zag het licht/ jij zag het licht/ Het licht/ het zou verboden moeten worden.’ Goed, laten we hopen dat hij de auto’s wel heel laat, dan vergeten we dit taalincident.

Uit Bolsward komt de 20-jarige Laura. Ze heeft een melodieuze voordracht, die aan zingen grenst. Ze heeft veel gedichten over clowns: ‘Moeten de clowns op een trampoline/ zonder veren/ vragen ze/ om het te leren.’ ‘Van mij hoeft het niet, maar daarmee stel ik haar natuurlijk nog niet gerust,’ zucht een klein meisje in het publiek.
Dan is het de beurt aan Martijn den Bakker. Hij heeft een zeer sterke en haast dwingende voordracht. Ook zijn gedichten hebben kracht: ‘En een poster voor een man/ die toen hij klein was/ altijd een cape droeg.’ Je hoort ook wanhoop doorklinken, spijt, weemoed als Bakker zegt; ‘En dat hij gister/ gember moest gaan eten.’

In de pauze wordt er stevig gedanst op de muziek van Jack en Justina, alsof iedereen zich opwarmt voor de volgende ronde.

Hedwieg Baartman is next in line, maar alhoewel zij sterk uit de hoek komt met: ‘Ben je afgedwaald naar een skelleten snelweg’, zijn haar gedichten ritmisch niet sterk en het best samen te vatten met een van haar eigen titels: ‘Het is wat het is.”

Boris de Jong, winnaar van de laatst gehouden maandelijkse finale, draagt de gedichten voor die hem de vorige maand een plaatsje op de brug bezorgden. Ze hebben nog niet aan kracht ingeboet. Uit atoomdromen 1: ‘Hier, zegt Sofie, hier staat een kampioen der vacatures
Hier zegt Sofie, krijgt alleman te kampen met de vraag
Hier, zegt Sofie, weet ieder per seconde welke knoppen
hier, zegt Sofie, toont oeragenda naakt en ongelaagd

Hier, zegt Sofie, hier meet de mens zich nakend met de sterren.’ Het is misschien wat statig, maar zijn heldere stem en open manier van vertellen maken dat dat niet stoort.

Sander Meij komt direct na Boris met treffende zinnen als: ‘Ik zie/ ik zie/ wie jij wilt zijn.’ ‘Driewerf hoera voor de anderen.’ En: ‘Wat is er rock&roll aan een rollator/ Ik hoor het iemand vragen/ En ik weet wie het is.’ Hij is thuis op het podium en weet het publiek, dat toch al een flinke poos de regen trotseert moeiteloos aan zich te binden.

Na deze eerste ronde heerst er toch een gevoel van bewondering voor de jury, dat zij dit jaar uit die tjokvolle vijver vol bedorven vis, deze elf gezonde karpers hebben getrokken. Stuk voor stuk mensen waarnaar het aangenaam luisteren is, al hebben sommige wel een mal accent.

In de tweede  ronde mag iedereen nog een keer:
Aaghenende: ‘De bode van de dood/ die in mij huist.’
Emma Burns: ‘Ik werd twintig/ toen ik zes was/ En dat doodgaan/ al dat doodgaan.’
Nafiss Nia met authentiek maar daardoor niet minder mal accent ‘Iedereen wiel nar die maan.’
Robin Veen: ‘Z’n donkere wang/ deint over de overkant.’
Kapitein Lafbek: ‘Oorspronkelijkheid is een spartelend wijf/ Dat laat zich niet zomaar in de kut kijken.’
Laura: ‘Prachtig zoogdier dat ik ben/ groot lichaam dat om me woont.’
Martijn den Bakker; ‘Van de stad is hier geen sprake meer/ hier is het jungle all the way.’
Hedwieg Baartman: ‘Evacueer mij voordat ik galg word/ want ze komen/ de onsmakelijken.’
Boris de jong: ‘Ik ben zomaar een bezoeker/ zomaar een verloren ziel.’
Sander Meij: ‘de mannen doopten haar/ de vrouw met het hoofd.’

In de finale staan uiteindelijk Sander, Boris en Martijn. Het is een strijd tussen drie jongens met een eigen stem, drie jongens die zowel het kwetsbare als het harde in hun gedichten hebben weten te verwerken met een gevoel voor het absurde en de tijdsgeest. Het is een strijd tussen titanen.

Juryrapport
 Het is Diana Ozon die naar het podium loopt om het juryverslag uit te brengen. ‘Het niveau van het jaar was niet zo best,’ geeft ze eerlijk aan, ‘Maar er waren geen slechte dichters vanavond. Elke deelnemer mag zich een finalist noemen, maar er is maar één winnaar en dat is... Martijn den Bakker!’ Ozon richt zich nu tot de winnaar: ‘Je rauwe lyriek, het grote en het kleine, het verre en het dichtbije, je boeide de mensen met je verhaal. Je gaf een tentoonstelling, je bent een echte slammer en je bent de winnaar!’ Een daverend applaus barst los, als Martijn den Bakker nog één gedicht voordraagt. (Een gedicht dat hier te lezen zal zijn, zodra hij tijd ziet het naar Festina te mailen). Tot laat in de nacht zullen de dichters blijven hangen rondom de plek die nu, met het afsluiten van deze Poeziefinale, haar tiende jaargang ingaat, een jaargang waarvan Simon Vinkenoog al heeft aangegeven dat het ’t laatste jaar zal zijn dat hij jureert.

Tot de hals gevuld met bier zullen de poëten nog lang op de bankjes buiten zitten, elkaar op de schouders kloppen en verzuchten: ‘Nee, maar jij was pas erg goed.’
‘Nee, jij. Jij was zo beeldend...’
‘Vond je mij beeldend?’
‘Ik vond jou zeer beeldend.’
‘Ik vond jou ook heel beeldend.’ Tot Jorrit de glazen op komt halen en de laatste twee, toevalligerwijs de twee die elkaar zo beeldend vonden, samen hun fiets pakken om thuis ongetwijfeld samen actie te ondernemen die niet voor andermans netvlies is bedoeld, laat staan voor andermans oren,. God wat zullen ze beeldend zijn. Nee over de poezie van het volgend seizoen hoeven we ons geen zorgen te maken. Die wordt alweer vormgegeven. In slaapkamers, in uitgaansgelegenheden, in een maatschappij die ondanks alles altijd huivering bewondering, lust en verwonderdering op blijft wekken.

De moralisten van morgen worden vanavond geboren en tijdens dit schrijven zijn alweer honderden meisjes hun liefdesverdriet aan het wegrijmen. Zij zijn allemaal welkom, volgend jaar hun zegje te komen doen op het podium dat Festina biedt aan dichtend Nederland. Zolang er zich maar ook drie titanen meldden van hetzelfde gewicht als we vanavond zagen, zolang er maar elf gezonde karpers uit de tjokvolle vijver vol bedorven vis getrokken kunnen worden. Dit was de negende jaargang, vanaf nu is het wachten op wat het kroonjaar ons brengt.