Amsterdam dinsdag 7 september 2010
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG




Poezieslag December 2007 10e seizoen

Slamveteraan wint vierde Poëzieslag tijdens uitwedstrijd
door Aukelien Weverling

Met het aanbreken van de donkerste maand is ook altijd het rijmen weer in zwang. Jan krijgt nieuwe schoenen en ‘schoen’ rijmt op ‘doen’, dus: Jan gaat lopen doen met zijn nieuwe schoen. Terwijl half Nederland de goedbedoelde rijmpjes van zijn naasten al weer aarzelend aan de prullenbak heeft toevertrouwd staat Festina vol met dichters die in hun trillende handen de papiertjes houden waarvan zij hopen dat ze eeuwigheidswaarde bezitten. Vanavond zal duidelijk worden of ze de rijmelarij van de decembermaand ontstegen zijn. Het is de vierde Poëzieslag van het tiende seizoen, er zijn maar liefst elf dichters die vanavond voor zullen dragen. In de jury bevinden zich: Sven Ariaans, Bernard Wesseling en de plek van Simon Vinkenoog die helaas door ziekte niet aanwezig kan zijn, wordt ingenomen door Pim te Bokkel.

Met moeite krijgt Sander Meij het publiek stil als hij de eerste dichter, David Vetter, aankondigt. Vetter dicht over de dingen des levens. Voor mensen die zich afvragen wat de dingen des levens zijn: dat kan echt van alles en nog wat zijn. Van de afwas tot het in bed stoppen van kinderen, van rauwe randen onder je nagels tot een cursus Frans, je moet het zien als een oneindig breed thema dat telkens verder uitgebreid kan worden, voor Vetter betekent het bijvoorbeeld dat hij ondermeer dicht over plantjes: ‘De Japanse kers heeft gebloeid/ De Peren hangen nog steeds/ wachtend op de herfst.’ Ook is hij van de zin: ‘De mooiste meisjes komen handen te kort.’

Na hem is het de beurt aan Alejandro die dicht omdat hij verliefd is op een vrouw die hij niet kan krijgen. Cyrano de Bergerac had waarschijnlijk niet treffender kunnen samenvatten waarom een man dicht. Gelukkig is er altijd voor alles een oplossing, dus ook voor Alejandro: ‘Ik drink champagne in een hoerenkast.’ Helaas gaat de rest van zijn voordracht verloren door slecht ritme en zijn gebrek aan volumebeheersing.
Hans Laroo, de dichter die volgt, componeert naast gedichten ook pianoconcerten. ‘De flat/ Duisternis/Hij poetst zijn tanden/ Wast zijn handen/ Morgen trouwt hij met de zon/ Kom kom kom dan zon.’ Na Laroo komt Ellen Dekwitz het podium op. ‘Vloog er maar een vlieg tegen mijn tong op.’ Marta Majeur staat zelfverzekerd achter het katheder als ze zegt: ‘Ze gaan weer uit elkaar/ De chauffeur en duizend passagiers.’
Een verademing is uiteindelijk Marc van Biezen die het publiek trakteert op snoeiharde oneliners die ergens in de verte doen denken aan de gedachtegang van Gummbah: ‘Bescheiden seriemoordenaar/ Ik zou het zelf geen serie noemen’. Hij heeft al snel de lachers op zijn hand, en weet telkens in twee zinnen de vinger op de gevoelige plek te leggen, in veel gevallen de lachspier. Het is moeilijk om daaroverheen te gaan en dat doet Pieter Verhoeven dan ook niet. Hij heeft het over ‘een Indische mastodont, een mammoet’. En bazelt er in een ander gedicht lustig op los: ‘Met het bouwen van een moskee/ komen soms problemen mee/ zoals bij het bouwen van een minaret/ verkeerd in de grond gezet.’

Sterre doet een minor religie, een minor filosofie en studeert literatuurwetenschappen en heeft dit gedicht gemaakt: ‘Dageraad/ waarom kon die nacht niet wachten/ die eeuwigheid/ die jou scheidt/ van mij.’ En dit heeft ze ook gemaakt: ‘Voel jij dan niet ook die leegte/ Die stilte? Dat gat.’ ‘Ik heb inderdaad zin om nu met de deken over mijn hoofd in bed te kruipen van ellende,’ bekent een klein meisje dapper. Sterre kijkt ernstig als ze het heeft over een oerhart dat klopt en een zinderend verlangen uit een oeroude bron. Omdat de maandelijkse aandachttherapie van Festina maar vier minuten per persoon behelst moet Sterre uiteindelijk pas op de plaats maken voor Emile die wel degelijk met een prachtige zin komt: Ik wil me niet drukken in dit leer/ Dat naar mijn ouders stinkt/ En misschien nog wel naar meer.’

Ook Boris is weer van de partij. In mei stond hij nog in de finale op de brug, vanavond brengt hij nieuw werk. Zijn voordracht als altijd betoverend, zangerig en pijnlijk op het juiste moment, maar gelukkig is hij niet een van die dichters van wie je alleen in zijn voordracht de eigen stem hoort. ‘Ik knipper mijn ogen klein/ De zon behapbaar (...) dit had een zwaluwdag moeten zijn.’ Boris is niet de enige slamveteraan die Festina vanavond verwelkomen mag. Jeroen Naaktgeboren, stadsdichter van Rotterdam heeft voor een uitwedstrijd gekozen: We lieten ons een vliegwiel/ Om door de bochten te dwalen. Hij haalt ‘het bloeden van de Botlek aan’ en ‘Ogen gesloten/de diesel brandt.

2e Ronde
Waarin Jeroen ons vertelt ‘mijn stad scheurde haar hart voorbij/ Met brandende longen. Boris het heeft over gemoedstoestand 258. Sterre ons toevertrouwt:’ En als ik jou dan toch verlaat/ Vertrek ik om bij je terug te komen (vermoedelijk gemoedstoestand 1). Marc van Biezen ons nogmaals trakteert op zijn kordate poëzie: ‘ex-nihilist: het grote niks werd hem te veel’. Ellen Dekwitz iets schreeuwt over haar waanzinnig oninteressante gedachten over WARE LIEFDE!!! En daarbij een Nederlander op vakantie evenaart die denkt dat een andere taal spreken niks anders is dan woorden luider uitspreken.

De finale wordt uiteindelijk gehouden tussen Jeroen, Marc en Sterre.

Juryverslag
Het juryverslag wordt vanavond door Pim te Bokkel voorgelezen, die dat doet op de manier waarop hij zijn poëzie voordraagt, rustig, beheerst en ernstig. ‘Het had allemaal veel slechter kunnen zijn. Het was niet dat jullie de x-factor niet hadden, maar het wilde er niet bovenuit steken,’ zo heft Te Bokkel aan. ‘Boris had goede dingen, maar verpestte het in de 2e ronde, dat wil zeggen, het was niet slecht, maar hij was niet beter dan in de 1e ronde.’

Een paar dichters kijken een beetje verward om zich heen, heeft de jury nou net gezegd dat ze de competitie met zichzelf hadden moeten aangaan in plaats van met de anderen? Te Bokkel trekt zich niks van het geroezemoes aan en zo hoort het ook, een beetje verwarring heeft een dichter nog nooit kwaad gedaan. ‘Ellen is een frisse nieuwe verschijning die enthousiast is, maar niet genoeg feeling heeft met het publiek. Sterre, wij van de jury vonden haar poëzie goedbedoeld, maar nog verkerend in het beginnersstadium. Marc was echt een kanshebber in de finale. Het getuigt van lef om goede zinnen niet uit te werken tot matige gedichten. Sommige zinnen waren geniaal, maar sommige waren gewoon te flauw, toch, het is verschrikkelijk knap om te maken wat Marc maakt. Helaas voor hem, gaat de prijs vanavond naar een slamveteraan die zich in elke ronde verbeterde, Jeroen Naaktgeboren!’

En terwijl zijn stem nog een keer de trap af rolt en tegen de muren ketst, worden in Festina de laatste rekeningen uitgedraaid, want elf dichters vreten tijd.

Wolkenkrabben
(Mijn stad bouwt om op te kijken)

Zo wil ik wolkenkrabben
met rug recht als besnaarde danser
Waar mijn arm met vuist damp breekt
en steekt in hemelwaan
Wij zijn samen hoog als high
van trots om Metropool van ander
De zilvermeeuw wendt ons verbaasd
haar schuwe bochten aan

Stad durft stroom van mond op monding,
met daaronder zwijgen
Lef uit vrees mijn wolkenkrabbel
voert geknikte knieën aan randen
Van bedacht tot geboren mag je
slijpend staal en steen ontstijgen
Zo heet ik kracht van voorwaarts
koortsig bouwsel tegen wanden

Waar we de donsdekens afvlakken
terwijl het mierenspel verspeelt
De aarde ons een ruw vangnet is
met schreeuwtekort aan overmoed
De buurman schermt scherm achter
blinde muren luxaflexe etalages

Ik breng je de wolkenhoge vingers
waarmee Stad dieptevrezen heelt
Met het neonfluwelen licht dat panden oprolt tot versmolten weemoed
In de gloed van Nieuwe Zakelijkheid
ben jij mij nachtkind in passages