Amsterdam zondag 5 september 2010
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG




Poezieslag Januari 2008, 10e seizoen


Het verzaken van een hogere roeping
door: Aukelien Weverling

Het is 15 januari, het is de eerste Poëzieslag van 2008. Aan de jurytafel zitten Sven Ariaans en Bernard Wesseling met verse inkt in hun pennen klaar om te jureren. Ook Simon Vinkenoog heeft, bekomen van zijn griep, zijn vaste plek weer ingenomen aan tafel. Kalm bekijken ze het bonte gezelschap van dichters dat met glanzende ogen en stapels papier klaar staat om aan te stormen. Het is de aftrap van een nieuw kalenderjaar. Het podium ligt open en een zin van Dante schiet te binnen: Hier past geen achterdocht of vrees
Hier past het je van je lafheid te bevrijdden.

Juvu is de eerste die naar voren mag komen om dat te doen. Hij is leraar Nederlands en zijn staartje schudt een beetje als hij iets vertelt over Anne Frank en hoe erg dat was. Natuurlijk valt er wat voor te zeggen om ook eens wat aandacht te besteden aan de andere zes miljoen joden die over de kling zijn gejaagd, maar een symbool is een symbool en waarom zelf zoeken als er al gevonden is? Dat is zoiets als een cliché vermijden.

Na Juvu is het de beurt aan Nikki. Zij studeert literatuurwetenschappen. Dat literatuurwetenschappen studeren niet tot goede poëzie schrijven staat als sok tot voet, heeft de vorige poëzieslag al aangetoond, maar, dat betekent natuurlijk niet dat mensen die literatuurwetenschappen studeren per definitie uitgesloten worden van deelname. Nee, nee, het is 2008: nieuwe ronde, nieuwe kansen. Nikki speelt op vrolijke wijze met de bijbel: ‘Stel nou dat jij Adam was en ik Eva/ En dat ik jou niet de appel gaf.’ Dat veel mensen gelynched werden door op vrolijke wijze met de bijbel te spelen moge bekend zijn.

Hierna is het Michel die zijn opwachting maakt. Hij is fietskoerier en heeft daar héééééél veel gedichten over geschreven. Hij vertelt waar hij allemaal geweest is op de fiets. Hij is in de Beethovenstraat geweest en bij het WTC, bij de Kamer van Koophandel en op het Zuiderkerkhof nummer 13. ‘De liefde voor de fiets/ Een bordeel vol glanzende modellen.’ Zijn wereld is een oneindige vlakte die hij voornamelijk doorkruist met de beperking van een zadel onder zijn kont. ‘En dan als niemand kijkt, ruik ik aan haar geurende bodem.’
‘Eigenaardige eigenschap,’ zegt een lange jongen tegen zijn buurman, die instemmend knikt.
Nu staat Jan achter het katheder. Hij maakt naar eigen zeggen geautomatiseerde gedichten die bijna wiskundig zijn en die gaan zo: ‘Wekker is RINGGG, ga naar volgende seconde’ en ‘Kus is vrouw/ Vrouw is kind/ Ga naar volgende seconde.’ En onvergetelijk is de zin: ‘Boodschap is TRALALALA’. Helaas voor Jan staat stopwatch nog steeds tot volgende dichter, dus Patrick Prins klautert enthousiast het podium op. Patrick houdt van Vroman, misschien dat hij daarom zulke aardige gedichten schrijft over de oorlog: ‘En kamers vol oorlog/ En oma zit daar ook het beste van te breien,’ Het Vroman-effect blijft een beetje uit bij het publiek, maar Patrick Prins heeft dan ook nooit in een Jappenkamp gezeten, hij moet het doen met het huis - tuin en keukenleed dat hem is overkomen en van waaruit hij dicht.

Merijn Baas kennen we van eerdere poëzieslagen, hij komt ons nieuw werk brengen. ‘Er ligt een wereld open voor schone meneren/ maar dat zeggen we niet,’ is een van de zinnen uit zijn werk. Hij wordt gevolgd door Nelis die zijn podiumdebuut maakt, zijn poëzie noemt hij illusieloos en abstract. ‘In bed ogen dicht/ ik was de man die alles kon.’ Het moge duidelijk zijn, die komt er wel, misschien niet hier maar dan zeker wel in bed, waar toch zijn grote talent ligt zolang hij daar tenminste niet illusieloos en abstract te werk gaat.

De 2e ronde

De tweede ronde wordt ingezet door Jan: ‘Toeval drugs/ Drugs als waar (...) Hamburgers als waar/ Trek af 150 als levensvreugde.’ Michel fietst daarna nog even lekker door op hetzelfde thema dat hij in de eerste ronde al naar voren bracht: het roerige bestaan van een fietskoerier, ‘TomTomloos dwaal ik door de straten,’ en: ‘De gevangene der maatschappij/ Zijn zij misschien verliefd op mij?’ Nikki komt daar maar amper overheen met haar schitterende zin: Ik ben de zwetende otter/ Jij de glanzende zonnebrandgod.’

Finale

Waarin Nikki haar puberteit nog even de vrije loop laat in zinnen als: ‘Liefde als scheten’ en liefde die je longen barst.’ Waarin Jan weer zijn trucje doet van: ‘Toeval dromen/ Toeval als waar/ Tel op 150 als levensvreugde/ Anders trek af 150 als levensvreugde. En Michel het heeft over de eeuwige vijand van de fietskoerier: ‘De wind/ Vriend of vijand/ Rustig of onstuimig.’

Juryrapport

Er zijn van die regenachtige woensdagmiddagen waarop je kan verlangen naar een juryrapport dat wordt voorgelezen door Sven Ariaans, een aarzelende timmerman die toch steeds met zijn hamer de juiste spijker weet te raken. Zoals er ook middagen zijn waarop je niets liever doet dan eindeloos met Bernard Wesseling bomen over gedichten. Zoals er dagen zijn die een gouden randje hebben door Simons brullende schorre stem die aanwijzingen geeft over poëzie en leven. Het is 15 januari 2008 en het is geen van die dagen. Het blijkt een dag te zijn waarop Sven geen juryrapport voordraagt, Bernard de verkeerde winnaar uitroept en de gemoederen hoog oplopen aan de jurytafel. En daarmee lijkt de jury een fantastische zin uit Dante’s Goddelijke komedie uit te dragen: alleen de ijdelheid van uw gemoed stijgt uit boven uw ondraaglijk lijden. Want al is de drom dichters in een poëzieslag nog zo slecht, een jury houdt zich altijd op de achtergrond, maar misschien is een strofe uit canto 3 ook wel aan de orde om te beschrijven wat er met de jury gebeurde deze belabberde avond:
Omdat ik sommigen had meegemaakt
Herkende ik in deze drom degene
Die aan zijn hoge roeping had verzaakt.
Want als deze onordelijke afloop van de slag iets bewijst dan is het de diepgewortelde passie voor poëzie van de juryleden en hoeveel tijd en moeite zij stoppen in het komen tot een unaniem en gedegen beoordeling. Nikki is overigens de winnaar.