Amsterdam zondag 5 september 2010
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG




Poezieslag Maart 2008 10e seizoen

De slag der middelmatigen
door Aukelien Weverling

Zo wisselvallig als het weer in maart, zo roert ook het poëzieseizoen dit jaar zijn staart. Het is de zevende slag van het tiende seizoen en wederom vindt er een stoelendans plaats aan de jurytafel. Simon Vinkenoog, kersvers van teruggeweest zit dit keer gelukkig weer op zijn vertrouwde plaats naast Sven Ariaans, maar daarnaast zit nu Pom Wolff die de plek van Bernard Wesseling inneemt, omdat die wegens ziekte verstek heeft moeten laten gaan.

Vol goede moed kondigt Sander Ivo Kievenaar aan, die uit Breda komt en houdt zich bezig met kunst en cultuur en met dichten, natuurlijk. Hij brengt zinnen als: ‘Een minnaar is woest, want ze kreunt als hij hinnikt’ en: ‘Thuis rookt ze jointjes voor de spiegel. Kievenaar is dan wel bezig met kunst en cultuur, voor iets ordinairs als tijd heeft hij nauwelijks aandacht, zelfs met de stopwatch tegen zijn neus aangedrukt, staakt hij het  voordragen niet.

Na hem is het de beurt aan Bert Wagenaar van Kreveld, een theatermaker die al vanaf het eerste uur in Festina dicht. ‘Ik heb gezworven langs de randen van de hel/ ik was vergeten of ik ergens wilde wonen.’ Dat hij het theater gewend is hoor je terug in zijn voordracht die soms een beetje té toneelachtig is.
Max Leroux dicht over dood en controverse. Hij trakteert het publiek op zinnen als: ‘Heil Hitler bij het ochtendorgasme/ pas in de middag wordt ze anti-fascist/ ze moeten eerst de hond van de buren nog afknallen.’ Belangrijke vragen als: ‘Hoeveel ruimte zit er tussen zon en maan?’ En constateringen als: ‘Als een jojo keert het weer/ tot het touw verstrikt raakt.’ Met zijn intense voordracht weet hij de aandacht goed vast te houden.

Mike, die eerder optrad op Zinderslam, brengt de zin: Schrijven is dood/ Joram van der Sloot. Waarschijnlijk leest Joram net als Mike weinig gedichten, maar voor één van hen zou het zeker eens een idee zijn om dat te gaan doen, ach wie weet vindt één van hen nog wel eens de tijd om rustig een dagje te lezen.

Na Mike is het de beurt aan Juvu, die vraagt: Hoe haal je een paard uit een paard en een mens uit een mens? Het is geen slechte vraag, helaas zijn tot nu toe zijn alleen de Russen met een antwoord op de proppen gekomen, de Baboesjka industrie tiert dan ook welig op monopolistische wijze.

Pandora, komt met het gedicht: Meisje, meisje/ Jongen, jongen/ Boom, boom/ Bloem, bloem.’ Waarmee zij de pijnlijke tragiek blootlegt van dichters die net copypast op hun computer hebben ontdekt en daar nog niet beheerst mee om kunnen gaan.
 Kira Wuch heeft het na Pandora over witte muren die zuchten en ‘Kom ga je mee/ Dan dansen we ons dood.’
 Merkwaardig vervolgens is het gedicht van de 72-jarige Mieke van de Ven over incest: ‘Dapper stappen met je vader/ Stap maar kind, stap maar/ ik hoop hij is een echte vrind/ En je niet zal strelen/ op een plek waar dat niet hoort.’ Ach ja, die goede oude tijd met zijn normen en waarden, kom er nog maar eens om. Geweldig, en uitermate geschikt om voor kinderen uitgegeven te worden, is het gedicht dat van de Ven daarna brengt, een fragment: Een sidderaal uit stadskanaal/ werd verliefd op een lantaarnpaal/ o, hij hield zo van haar grijze kleur/ en haar koel metalen geur/ en zij vanaf het eerst’ moment/ vond hem een spetterende vent.’
Na haar is het de beurt aan Ellen Deckwitz, die op geheel eigen wijze de vertedering oproept met zinnen als: ‘Vooral lichamen van zondige kinderen/ vormden een goede voedingsbodem.’ En: ‘Vloog er maar een vlieg tegen mijn tong op.’

2e Ronde

De tweede ronde heeft uiteindelijk plaats tussen Juvu, Max, Bert, Pandora en Ellen. Het is een ronde waarin Juvu zijn getergde identiteit blootlegd met bezorgde zinnen over het koopgedrag van zijn vriendin: ‘Jij wil dat ik ben/ Wat ik niet ben/ Jij consumeert in illusies.’ Een ronde waarin Max Leroux laat horen: ‘Van takken die het vocht niet verdragen, nemen bladeren juichend afscheid.’ Bert de zin uitspreekt: ‘Of ik kan blijven slapen, gewoon voor de veiligheid.’ Pandora zegt: ‘In de stad waar ik woon/ valt echt niemand uit de toon. En Ellen het rijtje kandidaten sluit met: ‘En golven van geluiden veranderen in verzen.’

Finale
De finale die wordt gehouden tussen Mieke, Ellen en Max wordt besproken door Sven Ariaans, die ook de publieksprijs mag geven aan Mieke (één van haar gedichten valt te lezen onderaan dit verslag).
Sven richt zich daarna tot het publiek: ‘Festina is het mooiste podium van heel Nederland. Een open podium waaraan iedereen mee mag doen, maar als je hier gaat staan, denk dan na over de poëzie die je schrijft. Reflecteer, herschrijf. Vanavond hebben we veel middelmatige gedichten gehoord.’
Sven richt zich tot de kandidaten: ‘Bert, je eerste ronde was heel sterk, maar in de tweede ronde verloor je je vorm. Mike, jij dicht recht uit het hart, mooi en eerlijk, maar het is nog niet helemaal rijp. Juvu, jij bent leraar Nederlands en bij jou was het probleem dat er juist wat te veel was nagedacht over je gedichten. Dan Pandora, een echte performster, met een sterke rijmvorm, helaas viel je in de tweede ronde tegen. Kira, jij bent een scenarioschrijfster en je gedichten waren te bedacht. Bovendien bleef het leeg, het pakte niet. Mieke hebben we vanavond gehoord, met prachtige uitgebouwde limmericken, helaas is dat hier niet genoeg om een Poëzieslag te winnen, maar gelukkig wel een publieksprijs. Ellen, jij was aan het verleiden, je bracht diepgaandere poëzie dan slampoëzie. Poëzie die je eigenlijk moet lezen.’ Sven schraapt zijn keel: ‘De winnaar van vanavond is Max Leroux, vanaf het begin was hij sterk. Hij heeft een meeslepend ritme, weet de aandacht te pakken. Zijn gedichten gaan alle kanten op. Hij was overtuigend, had een grote woordenschat. Het was enorm authentiek en die authenticiteit werd gecombineerd met denken, vandaar dat we aan jou vragen terug te komen in de finale.’

Nog een keer razen de woorden van Max Leroux door Festina:

‘En de bananenboot kwam van comacabana

Onder ons gezegd en
gezwogen – we roken
een jonko – ze is
skaffa  man...
we droppen nog een pintoe
ik vinger die puta
een beetje en conjo...
ineens doet ze het niet meer
Natuurlijk hebben ze
die motjo niet gevonden
met mij kan je niet fucken
man – en die tjappa
jongen die kiepert haar zo zonder gewicht
geen moment was ik para
die longen lopen zo vol
water... dan ga je echt
niet drijven weet je
Ik ben zo fucking weerie
Hoe dichter je bij mij komt
Hoe dichter bij de haaien.


En voor de liefhebbers ook nog een gedicht van Mieke:

Een sidderaal in stadskanaal
Werd verliefd op een lantaarnpaal

O, hij hield zo van haar grijze kleur
En van haar koel metalen geur

En zij, vanaf het eerst’ moment
Vond hem een spetterende vent

Het werd zo hevig tussen beide
Dat ze spoedig vrijden

Hij kronkelde om haar ene been
Een siddering ging door hen heen

De climax kwam, u snapt het al,
Het moest wel eindigen met een knal.

En toen het licht plots in haar doofde
Verloor de sidderaal zijn verloofde

Wat is de moraal van dit verhaal?
Een sidderaal hoort niet op staal.