![]() |
|
| eetcafé | Amsterdam zondag 5 september 2010 |
| HOME | MENU | AGENDA | DE WC DEUR | POëZIESLAG | INSCHRIJVEN | CONTACT | ||
![]() TERUG |
Na Martijns' brief aan Aukje over de poëzieslag van mei, nu het antwoord van Aukje met daarin het verslag van april. En dan nu maar hopen dat Martijn hier weer op reageert met een verslag over de jaarfinale... Poëzieslag April 2008, 10e seizoen Lieve Martijn, Beestje, wat een mooie brief heb je mij geschreven. Ik dacht dat we afgesproken hadden dat jij je neusje niet meer in de speed zou duwen, maar nu zie ik ook wel in hoe belangrijk tempo is. Laat ik je gelijk geruststellen wat betreft je eerste opmerking, alles wat over me gezegd wordt, is waar of neigt naar waarheid, behalve de dingen die ronduit belachelijk zijn en grove leugens. Dertien dichters zeg je, dat is inderdaad lang niet mis. In april hadden we er elf. Het niveau was toen om te janken. Ik bedoel echt dat je het gevoel had dat je in een put werd gegooid om vervolgens door elf lagen bagger de bodem te bereiken, waar je dan tastend in het duister, naar het hoe en waarom het toch zo gelopen was met de mens, nog geen mes kon vinden om je fatsoenlijk de strot mee af te snijden. Die slag begon toen met Lucas van Houte, die zijn eerste gedicht wijdde aan een man met een voetbal, ‘Elke zaterdag kwam hij een beetje balverliefd langszwalken’, en afsloot met: ‘Zij heeft hem verlaten/ Daar had ze hem al voor gewaarschuwd/ met een stapeltje tarotkaarten.’ Dat kon ik nog wel aan. Je weet, Martijn, ik ben niet van suiker, maar daarna kwam die Stephanie Tilleux met een gedicht dat geïnspireerd was op Dantes Inferno, waarom sommige mensen toch altijd meteen naar het hoogste moeten grijpen... Ik stond bij wijze van spreken al klaar om haar zelf naar de onderste ring van de hel te smijten voor het vermoorden van een prachtige herinnering aan de Divina Commedia, maar ik dacht ik wacht nog even. Je kent mij, Martijn, ik ben een geduldig afwachtend mens, altijd op zoek naar het positieve in de mens. Bovendien is het me opgevallen dat mensen die je de hel in wenst vaak weer als een boemerang op je afkomen na de Poëzieslag. Dus ik dacht, houd je in Weverling. Die Mike Platenkamp waar je in je brief over spreekt was er vorige maand ook, en ik meen de maand daarvoor ook, een doorzetter dus. Hij had in april een paar flauwe woordgrappen in zijn gedichten: ‘Zonder zelfs maar te weten over de hoed en de randvoorwaarden’, toch vond ik hem thematisch niet slecht. Ik meen me te herinneren dat hij het over vriendschap had. Nou daar weet ik alles van, als een lieve vriend als jij me zo’n mooie brief schrijft. Die Mike had trouwens ook de zin: ‘Ik vloek je van verre.’ En: ‘Restjes winter in je haar.’ Dat vond ik mooi. Je weet dat ik daar een sucker voor ben, dat soort afgetuigde romantiek. Dichters die het woord ‘genotstaaf’ gebruiken, zoals je me beschreef, zijn afschuwelijk. Ik weet nu niet zo een twee drie wat we eraan kunnen doen, maar zoek naarstig naar een oplossing en sluit op dit moment geweld nog niet uit. Om nog even bij april te blijven, na Mike kwam Kees Borst: ‘Plus en min/ perfecte symmetrie in tijd/ bestaat uit plus en min/ Min geeft ons leven zin/ de cirkel rolt de tijd naar voren/ Naar achteren bekoren/ Het blijft hetzelfde/ Onzekerheid brengt dat wat u verwacht.’ Ik haat het als ze zo moraliserend worden op het eind, maar hij was ook al wat ouder, dan mag dat geloof ik wel weer. Na Borst kwam Maaike Haneveld: ‘Vroeger toen je nog een boek was/ vond ik je zo’n ezelsoor/ toen rook je heerlijk naar schrijvers.’ Arm kind dacht ik, heeft vast nog nooit naast een schrijver gestaan, meestal ruiken ze naar tabak en verschraald bier. Daarom maak ik er telkens zo’n punt van, Martijn, dat wij schrijvers zo vaak als mogelijk is de douche gebruiken. Die Maaike leed trouwens aan een vorm van rijmdwang waar Anna Achmatova nog een puntje aan kon zuigen. ‘Pil’ rijmt in haar gedichten op ‘wil’, ‘spartanen’ op ‘wanen’ en ‘goed’ op ‘zoet’. Na Maaike Hanenveld was het Bibi die mocht dichten. Die had het steeds over de Fransozen en hun Amorette, waardoor Jorrit telkens met een glas Amaretto kwam aanzetten. Of het aan haar uitspraak lag dat ze amorette zei in plaats van amourette, of dat ze werkelijk amorette op papier had staan, is iets waar we waarschijnlijk nooit achter zullen komen. Vanavond ben ik hier trouwens uit geweest met een teleurstellend keurige jongen die me meenam naar een plek waar ze geen alcohol schonken. Ik vatte het op als een tamelijk onhartelijk gebaar: iemand mee uit te nemen op een date die je met je oma zou kunnen hebben. Wel ging ik er zélf van rijmen als Anna Achmatova: ‘Oost west, thuis best’, dat werk... Kun je het je voorstellen, zo’n jongen die mij de hele Koerdische toestand uit de doeken doet en dat ik dan nog geen druppeltje alcohol krijg om dat te compenseren... ik miste je toen Martijn... ik miste je echt. Ik heb direct na thuiskomst de fles wodka die ik voor je gekocht had opengemaakt, toen was het net alsof jij ook hier was. Maar goed, uit die scheepsramp van een Poëzieslag van april kwamen dus toch nog vier kandidaten bovendrijven voor de tweede ronde en dat waren Bibi, Maaike, Kees en Wouter. Bibi deed een gedicht waarin ze het had over naar de markt gaan om haar ‘hart te verkopen aan de pessimist/ dat hij zo nodig zou hebben’. Dat moet ze dan maar doen, dacht ik. Maaike had een gedicht dat losjes geïnspireerd leek op Kants Kritik der reinen Vernunft: hoe weet je dat rood rood is. ‘Als de boot zinkt/ en het kan niemand schelen/ zinkt de boot dan nog wel?’ Daarna Martijn, en dit is geen grapje, kondigde ze aan een meedoegedicht te doen. Je begrijpt dat ik zo ongeveer onder de tafel kroop van ellende, want van een meedoegedicht is nog nooit iemand beter geworden, maar toen gebeurde er iets wonderlijks. Ze deelde briefjes uit, waarop zinnen stonden die mensen in het publiek lukraak door haar poëzie mochten roepen. Zinnen als ‘Laat me met rust’ of ‘Wat is je punt?’ Het was geweldig, Martijn, echt. En dat vond ik niet alleen omdat ik al die overgebleven Amaretto van Jorrit naar achteren had geslagen en een tikkeltje week in hart en benen was geworden. Na Maaike kwam Kees Borst dan weer met de zin: ‘Ik verlang naar maagdelijke klei/ Een schoongewassen netvlies/ Een bloemenloze tafel.’ En de hekkensluiter was Wouter Idema met zijn gedicht ‘One-night stand’: Haar kalme, kalme, kalme huid/ haar koele, kalme, koele koele huid/ haar naakte kalme koele huid/ Zo schoon en zo weerloos...’ Ik hoef het je niet te vertellen, hè Martijn, dat als een jongen dit voor mij zou schrijven ik hem dood zou slaan met zijn eigen gedicht. Nou ja goed, daarna ging de jury in beraad en Sven gaf iedereen een aai over de bol. Maaike noemde hij fantastisch, omdat ze dat meedoegedicht gedaan had en ze zoiets nog nooit gezien hadden. Nou dat was ik dus roerend met hem eens. Vervolgens kregen Stephanie en Maaike samen de publieksprijs en ging Kees Borst er met de prijs vandoor, omdat hij zo verstandig kijkt naar dingen en erudiet is. Eigenlijk was ik toen al niet meer zo aan het opletten. Prijzen doen me weinig tot niks als ik ze niet zelf in ontvangst mag nemen. Wat rest me anders dan je een goedenacht te wensen, lieve vriend, en weer aan het werk te gaan. In Istanbul is het een uur later dan in Amsterdam, daardoor heb ik altijd het gevoel dat ik kostbare tijd verlies als ik hierheen vlieg. Drink er een op mij, het duurt nu niet lang meer voordat ik terug ben. Kus Auk
|