Amsterdam zondag 5 september 2010
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poëzieslag di 7 maart 2006

De verheffende bodemwerking van natte plakken zure zult en een beatboxhart 
verslag door Aukelien Weverling

Zittend als kinderen aan de voeten van een voorleesmoeder, zo heeft het publiek zich aan de voeten van de dichters geschaard in het tjokvolle Festina. Het is zeven maart en terwijl buiten de stembureaus sluiten, begint in Festina alweer de volgende verkiezingsstrijd: de Poëzieslag. 

Twaalf dichters hebben zich aangemeld. Twaalf dichters trommelen zenuwachtig op de bar, rommelen nerveus door hun papieren, of turen quasi onverschillig voor zich uit terwijl vanbinnen ongetwijfeld een kleine fanfare ijzig door de bloedbaan marcheert. Ze zijn in afwachting van het moment dat de hoogzwangere Roos naar het katheder loopt, de eerste dichter aankondigt en de avond het licht laat zien. Dit allemaal onder het waakzaam oog van de driekoppige jury: Sven Adriaans, Erikjan Harmens en Simon Vinkenoog. 

Dat Marlies Somers (32) stemactrice is, werkt in haar voordeel, zelfverzekerd staat ze op het podium en richt haar woord tot het publiek. Bij haar geen ik-ben-een-meisje-en-ik-heb-daardoor-zo-veel-gevoel-poëzie, bij haar geen gekwijn over liefde in de kosmos van een gebroken hart. Wel de zin: ‘opstaan is allang geen optie meer’ en ‘jouw kloppend hart. jouw beatboxhart.’ Zinnen die een verdiend applaus oogsten. 

dat ik daar dankbaar voor ben
Dat ik mijn nachtrust hiervoor
op wil geven
slapeloos verder leven
zodat ik mezelf kluisteren kan
aan jou
en je prachtige klanken
die mij verankeren aan
jouw kloppend hart.

jouw beatboxhart

en mocht het ritme ooit verliezen
dan zullen direct
mijn trommelvliezen perforeren
als mijn stadion krijst
om een comeback

comeback comeback comeback

Ook de publiekslieveling van vorige maand is er weer, Martijn de Bakker, maar ratelde hij vorige keer nog zijn woorden op met het enthousiasme van een aan speedverslaafde koffiegebruiker, dit keer lijkt het erop dat hij wil dat we hem ook verstaan. Dat is even wennen, maar het publiek is de lulligste niet. Als hij uitroept ‘ik trip als een gek op LSD die ik niet eens heb’ weet iedereen dat zijn zinnen recht uit het hart komen en dat je ze kunt opsnuiven als coke voor een tintelende sensatie. 

Na hem is Joosje Peters aan de beurt. Een meisje dat je in je tas wil stoppen en mee naar huis wil nemen zodat ze je kan opvrolijken als de dag grauw is en je op zoek bent naar wat vertedering. Het is de eerste keer dat ze optreedt en ze heeft fijne stem als ze zegt dat haar kat dood is en dat ze daar een gedicht over geschreven heeft. 18 jaar en toch is ze al het gebazel over sterren in een hemelsblauwe lucht met een oneindige ontstegen, Het mooiste wat ze voordraagt is misschien wel haar gedicht Subtroop:

Die dagen in de bus over wegen
vol met gaten en gedachten en
de smaak van natte regenjas
in mijn mond
nee, soms vind ik het niet zo erg
als je zachtjes met je elleboog
op mijn heupbeen rust
of dat je me troost -

maar je doet het nooit

Ook de strofen van de 19-jarige Simon Mulder en de 27-jarige Bas van Kempen mogen er zijn, laatste laat zich inspireren door voorwerpen en vice versa. Dat geeft te denken dat op slechte dagen alles in zijn huis uit elkaar valt van ellende, maar wat geeft dat nou? Net als Kimon, Eef, Doeke Fennema en Anne Budgen die volgend jaar haar eerste bundel bij de Arbeiderspers laat verschijnen, veroveren Mulder en Van Kempen helaas geen plekje in de tweede ronde. Ook Alexis de Roode vist achter het net, maar die heeft met zijn bundel Geef me een wonder (Podium) toch al gewonnen. 

Wie wel voor een tweede ronde terug achter het katheder mogen komen zijn Florian Kullberg en Sander Meij. Net als Marlies en Joosje valt aan hen de eer ten deel nog een keer voor te dragen. Sander Meij vertelt ons op indringende wijze over het Beest van Broek in Waterland en natte plakken zure zult. Wie daar van wegloopt is natuurlijk niet goed bij zijn hoofd. Ook de zin van Meij:
‘Later, jaren voor de oorlog nogkreeg zij bekendheid als de vrouw met het hoofd,’ laat je niet los. Kullbergs gedicht over de kanarie die hij doodhongerde schommelt tussen wanhoop, lach en boosaardigheid en eindigt met de zin: ‘Op het laatst zong ie luider dan ooit.’ Het is natuurlijk merkwaardig om je kanarie dood te hongeren en er dan een gedicht over te schrijven, maar hij staat met recht in de tweede ronde. 

De finale is uiteindelijk tussen Somers, Meij en De Bakker. Meij schalt zijn volksvertelling vanachter het katheder de zaal in, een citaat:

‘Nee
Zij was niet het type dat hield van lingerie
des te meer hield zij van zure zult
dikke plakken zure zult’

Het gedicht gaat verder en klappert het publiek om de oren, maar Somers lijkt er niet door geïntimideerd. Ze neemt de rust en kijkt de zaal rond, zegt dan kalm:

 ‘Dancevally

Een kudde verdreven gnoes gaan op in brandende hitte
Geen kennis van woorden, horen enkel de beats
dansen en kijken, bezwijken en vluchten
voor uitgeholde harten gepantserd door borstkassen
die de pompende techno niet willen bevatten
Kaken verlangen ontspannen te zijn, pupillen weer klein en
kelen weer vochtig maar dat zal duren tot ver na de treinde
laatste die rijdt naar Hollandse hoeken
waar de melkende boeren niets weten van pillen
en poeders alleen een bewerkt product van hun koeien

die loeien als de laatste plaat wordt gedraaid
en de gnoes de d.j goedheilig bedanken terwijl de boer
zijn koeien tot kalmte bedaart zodat de melk weer kan stromen
zoals de gnoes staan te dromen wanneer de valley ophoudt met dansen.’  

Johan Cruijff schrijft hopelijk geen gedichten, maar wel zou hij na zo’n gedicht waarschijnlijk zijn speeksel opslurpen en zeggen: ‘Ja, logisch natuurlijk, dat er zo hard geklapt wordt na zo’n gedicht.’ Het is wachten tot de jury haar oordeel geveld heeft. 

Juryrapport 
‘Het was een kwalitatief goede avond,’ stelt jurylid Harmens ons gerust, ‘geen enorme uitschieters, maar alles was draaglijk.’ Een zucht van verlichting gaat door de zaal, triomfantelijk wisselen enkele dichters een blik met elkaar. ‘Sven sprak zelfs over een hoge bodem!’ laat Harmens de dichters weten die nu begrijpelijkerwijs haast hysterisch van blijdschap raken. Een jongen steekt zijn duim op naar een collega-dichter. 

Kullberg wordt geprezen om zijn ‘ontroerende wreedheid’. Harmens: ‘het is goed, maar het moet nog rijpen.’ Er klinkt instemmend gebrom. ‘Misschien moet hij eens een hond doodhongeren, die is groter,’ merkt een klein meisje lief op. Ze is duidelijk een fan. 

Peters krijgt een opsteker voor haar zin over de natte regenjas in haar mond. De jury vond dat geil en ze krijgt het advies over zes maanden terug te komen. Dat zal ongetwijfeld tot een hoogtepunt leiden. 

De Bakker blijft volgens het juryrapport nog te veel hangen in de voordracht. Hij grijnst, want wat maakt het hem uit? In zijn hand houdt hij een fles wijn, de publieksprijs en de dichter zonder publiek is een eenzaam ding. 

‘Sander blijft maar terugkomen, en vaak vergeefs, maar vanavond was hij erg goed,’ meent Harmens, hij citeert zinnen uit Meij’s werk: ‘Als ze rustig is gelooft ze in E.T.’ en ‘’s nachts zag je haar struinengebogen over braakterreinen’ toch Meij ziet de prijs aan zijn neus voorbij gaan, want die is voor Somers, vanwege zinnen als: Ik vind zoetjesaan niet zo’n mooi woord. Als mijn stadion krijst. En: jou kloppend hart, jouw beatboxhart. 

Dan is het allemaal weer voorbij. Somers zien we terug op de brug. Wie weet wordt zij de volgende winnares, en alhoewel de Looiersgracht geen Styx mag heten, kijkend naar de geschiedenis weten we dat de brug al menigmaal naar de onderwereld van de uitgeversland heeft geleid, waar het echte lijden begint waar menig dichter zo dol op is.