Amsterdam zondag 5 september 2010
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG








Verslag poëzieslag di 4 april 2006


Over zeggen wat je denkt en waanzin op papier
Verslag door Aukelien Weverling

 

April heeft een kikker in zijn bil en is met die zin een dichtersmaand pur sang.
Dat moeten ook de negen dichters gedacht hebben die zich aangemeld hebben voor de Poëzieslag van april. Het is dit keer extra spannend, want naast de pot van zeventig euro mag de winnaar zijn gedichten voorlezen en toelichten in het radioprogramma Kunst en Cultuur van Amsterdam FM. De negen dichters doen dus vanavond niet alleen een gooi naar erkenning maar ook naar eeuwige roem.

Omdat Roos bevallen is van een prachtige zoon, neemt Sander Meij dit keer de presentatie voor zijn rekening. Iets wat Meij die momenteel aan zijn scriptie over Gust Gils (wie? Wie? Vlaamse dichter, red.) werkt wel toevertrouwd is. Vol bravoure kondigt hij Pim te Bokkel aan, die ernstig achter het katheder plaats neemt en krachtig vertelt:

'Alleen in Zevenaar en verder oost is het wachten
het wij wachten af
en kennen de graden schietende zon
als de slagschim;
's ochtends groeten wij de zoon.’

Dit jaar verschijnt er een bundel bij Nieuw Amsterdam van Pim die nu zijn plek afstaat aan Bart Hendriksen die moeiteloos Friese zinnen door zijn poëzie heeft gevlochten en ons vertelt over de dag dat hij zich in de wind verslikte. Wat natuurlijk lang niet prettig voor hem was.

Na Hendriksen is het de beurt aan Herman de Tollenaere.
‘Ik ben zeven millimeter lang,’ zegt deze met een stem die aan Komrij doet denken. Hij vertelt ons over een verliefd kevertje dat zijn opmars langs vrouwenbenen maakt. Het is afwachten of er voor hem een plaats is in de tweede ronde, maar zijn kevertje kruipt door de gedachten van het publiek en vertedert zelfs degene die geen voorliefde hebben voor seksueel georiënteerde insecten.

Opvallend in de eerste ronde is Bonne Postma. Die met een peuk in zijn mondhoek begint te rappen:


‘dit is het land waar koninginnedag achter een kraam staan is
de majesteit tijdelijk in eng’land zat
maar nog altijd bazig statig jarig is
en wat er een natuurwet al nier meer vermocht
bij min drie komt er misschien wel een elfstedentocht nog te memoreren
in de zomer krijgen wij de kolder in de kop komkommertijdens welke
wij op de veluwe een poema kunnen zie hij is te schuw om te, fotograferen
laat het beest de poezevoetjes de schoenmaker zich houden bij zijn leest.’

Bonne heeft veel vrienden meegenomen die allemaal erg enthousiast zijn over zijn voordracht. Het café rammelt ervan.

Echt interessant wordt het als Cornellie naar het podium wordt geroepen. Zij komt uit Wageningen en laat vanavond voor het eerst haar gedichten aan een publiek horen. ‘Harder!’ roept een dove man achter in het café. Dat Cornellie gehoord moet worden, is duidelijk als zij het publiek op zinnen trakteert als: ‘Zet de waanzin op papier.’ En: ‘Een splinter in mijn lijf struikelt.’ Of: ‘Ruimte tussen muziek is ook strelen.’ Het moge duidelijk zijn dat zij een plek in de tweede ronde verdient.

Net als Boris de Jong die vanachter het gestoelte roept:


‘mijn woord kon een pook zijn, ik wist niet van zwijgen
ik zei wat ik dacht en ik dacht continu
ik hoedde mijn kinderen, met wetten van ijzer
ze bevochten mij, haatten mij, maar wat zijn ze nu?’

En inderdaad, zowel Boris als Cornellie mogen terugkomen in de tweede ronde, net als Pim, Bonne en Hanneke. Hanneke is een meisje in een fris groen truitje dat een ode schreef aan Zeeland ‘Zodat jouw zilte bestaan nog op mijn tong ligt.’ 1953 zal een flinke mondspoeling zijn geweest voor Hanneke maar misschien dat er daarom zulke mooie zinnen uit haar mond rollen, want ook in de tweede ronde bewijst ze zichzelf:


‘Proef me maar want ik besta
adem jij mijn mond in met lenteblad’

In deze tweede ronde moet helaas wel afscheid genomen worden van Niels, maar gelukkig heeft Meij eerder vertelt aan ons dat het voor Niels al de moeite waard is als iemand het mooi vindt wat hij schrijft. Nou er waren veel mensen. Ook Bart die dicht om mensen aan het huilen te krijgen, wat weer een compleet andere insteek is dan die van Niels haalt de tweede ronde niet. Ze mogen plaats nemen naast Mara die dicht over mannen en drank, erkende thema’s, en Merein die schreef: ‘Mary Poppens is er niks bij
Zo zal ook je woede zijn.’ Kan zich aan hun tafel voegen. Met een spoon full of sugar komen ze er ongetwijfeld allemaal overheen dat ze geen plek in de tweede ronde haalden.

De finale heeft uiteindelijk plaats tussen Bonne, Boris en Cornellie. De spanning loopt hoog op. Boris brengt zijn gedicht Voorzichtige Koe:

‘boe!
zei de koe
ik wil je niet laten schrikken
maar zo is nu net mijn klank
"moe"
zei ik toen
laat mij nog even op je liggen
en moet jij eigenlijk niet zwijgen
zijnde bank’

Bonne volgt zelfverzekerd met zijn gedicht ‘maar jij’:

‘Overdrijven
Is alleen maar wat de wolken deden in mijn hoofd toen
jij voorbij kwam. Ik werd gelijk heel, heel erg verliefd op jou en zei
dat ook en was heel erg zenuwachtig
maar jij was dat ook.
En toen besloten we heel erg gelukkig te worden.’

Het gedicht gaat door terwijl Cornellie haar papieren alvast sorteert. Ze neemt de fakkel over van Bonne. Het moet heerlijk zijn om de eerste keer voor te dragen en dan gelijk in een finale te staan, net zoals het heerlijk is voor het publiek als Cornellie zinnen uitspreekt als:

‘Je bent in je object gekropen
en hebt beeld opnieuw opgebouwd.’
Of:
‘Geef ons heden ons dagelijks brood
En vrijheid blijheid en autisme.’

Na haar voordracht is het wachten op het juryrapport en terwijl Roosmarijn de Westmalle Tripels opent waar al menig dichter zo dronken van werd dat het ’s ochtends pijn deed, overleggen ErikJan Harmens, Sven Adriaans en Simon Vinkenoog in een mist van sigarenrook.

Juryrapport
Langzaam wordt het stil als Adriaans met het oordeel van de jury komt. Hij begint met de dichters uit de tweede ronde waarin Hanneke opviel door haar verzorgde taalgebruik, en metriek. Helaas werd het volgens de jury niet spannend genoeg voor een finaleplaats.

‘Pim, was minstens even verzorgd, vervolgt Adriaans, ‘hij heeft ook de zin: “wat is de aantrekkingskracht van het centrum?” Pim is een centrum als hij op het podium staat, maar het was net niet genoeg om door te gaan naar de finale vanavond.’
Adriaans aarzelt even als hij doorgaat met degene die wel een plek in de finale veroverden: ‘Bonne... Ik dacht even dat je een gemankeerde rapper was...’ De spanning die Hanneke volgens de jury miste, krijgt gestalte in Adriaans: samen met hem balanceren we op die bijzondere grens van waarheid en belediging. Veel vrienden van Bonne zijn een beetje kwaad, maar een aantal mensen lijkt het ook roerend eens te zijn met Adriaans.

Dan gebeurt er iets geks. Bonne trekt de kundigheid van de jury in twijfel zoals zij zijn kundigheid in twijfel hebben getrokken. Hij begint dingen terug te schreeuwen. Dat is wellicht niet zo slim van hem.
 Wie wel slim is, is Boris die de zin schreef: Ik zei wat ik dacht en ik dacht continue. Adriaans: ‘Het was doordacht, zoals Pims poëzie doordacht was en die van Hanneke en misschien zelfs die van Bonne. In Boris’ poëzie is nagedacht over de vorm, vandaar de finaleplaats.’

Dan is het de beurt aan Cornellie om besproken te worden. Er wordt gelachen als Adriaans herinneringen ophaalt aan haar voordracht: ‘Die was echt stuntelig, maar ondertussen voelden we wel, hier is iemand aan het woord die durft. Iemand die originele vondsten doet.’ Ze mag naar het podium komen om de pot in ontvangst te nemen en het publiek op nog een gedicht te trakteren.

Bonne gaat ook niet met lege handen naar huis. Hij heeft de publieksprijs gewonnen. Twee flesjes wijn om zijn in twijfel getrokken talent mee weg te drinken. Misschien heeft hij iets aan de zin: het leven is geen videoclip.