Amsterdam zondag 5 september 2010
HOME     MENU     AGENDA   DE WC DEUR POëZIESLAG INSCHRIJVEN CONTACT

TERUG













Verslag poëzieslag 5 sept 2006

Over oude treintjes die goed lopen en weten wanneer je stoppen moet
Verslag door Aukelien Weverling

Alle begin is moeilijk, misschien dat daarom de opkomst bij de kick off van het nieuwe seizoen nogal laag is. Stond er in mei een legertje dichters aan Sander Meij’s mouw te trekken om mee te mogen doen aan de Poëzieslag en dromden toen ook het publiek tot in de deuropening samen, vanavond zijn er slechts negen dichters en vinden vrijwel alle bezoekers met gemak een plekje om te zitten.

ErikJan Harmens presenteert vanaf dit jaar elke dinsdag het culturele radioprogramma de Avonden voor de Vpro en kan daardoor niet meer jureren, gelukkig werd in Hagar Peters werd een uitstekende vervanging gevonden. Ook Simon Vinkenoog en Sven Ariaans hebben weer plaatsgenomen.

De avond begint met een voordracht van Simon Vinkenoog uit zijn nieuwe bundel Zonneklaar. Het is zestig jaar geleden dat hij voor het eerst gedichten naar een uitgever stuurde, maar het is geen oude man die voordraagt, het is het beest dat we kennen: ongetemd, vol furore en met de kracht van een os.
 Het moet moeilijk zijn om na zo’n kanon het spits af te bijten, maar Herman van de Tollenaere klimt toch aarzelend de trap op om ons het Liefdeslied van een karper te laten horen. Dit doet hij zo liefdevol dat bestialiteit plots behoorlijk diervriendelijk klinkt, vooral wie ook luistert naar zijn gedicht over twee waterhoentjes die kek over de plas zigzaggen. Af en toe hakkelt Van de Tollenaere een beetje, alsof hij nu ook twijfelt aan de noodzaak van liefde voor een mens terwijl er zo veel beesten zijn, maar zijn stem is vaderlijk.

Na hem is het de beurt aan Simone die op de valreep opgenomen is in de programmering. Ze heeft rode koontjes als ze het podium bestijgt en ons vertelt: ‘Er zwierden witte schilderswolken’. Het is Simones eerste keer in Festina, maar haar stem is vast als ze zegt: ‘Natuurlijk is het frustratie, taal...’ ze bewijst daarna gelijk haar punt door in rijmdwang te vervallen.

Meij kondigt Wim Verlaan aan. ‘Toen ik hem vroeg naar zijn motto antwoordde hij: mijn drive is groter dan mijn angst om voor te dragen. Zo werkt dat natuurlijk ook met geldingsdrang: ‘Hier ben ik die raakt, ik ben hier,’ roept Verlaan wanhopig. Ook is hij van de zin: ‘Deviatie ligt wederom in het verschiet.’ Ik heb het nog even opgezocht in de Van Dale: Deviatie 1 afwijking van richting, 2 koersverandering, 3 afwijkingen van voorgeschreven opvattingen of denkwijzen, 4 afwijking van de normale stand van een oogbol. Aangenomen dat hij niet doelt op zijn oogbol ga ik ervan uit dat hij het heeft over afwijkingen van voorgeschreven opvattingen of denkwijzen, of verandering van koers. Hij kan wel over koers wijzigingen dichten, hij valt in elk geval niet te bewegen het podium af te komen. Het katheder stort in tijdens zijn voordracht, maar hij blijft stug doorlezen. Ook na drie waarschuwingen van Meij dat zijn tijd erop zit, staakt Verlaan zijn voordracht niet. ‘Hij stopt niet vanwege zijn drive’, fluistert een begrijpende jongen.
Als Verlaan toch eindelijk naar de bar gedevieerd is mag Gis gaan proclameren wat hem zoal dwars zit. Een 21-jarige Utrechtenaar  die lief kijkt terwijl hij vertelt over een lieve zelfmoorddame die geïnspireerd wordt door de machine tussen haar benen. ‘Inspiratie is een heerlijk gevoel,’ weet een meisje aan de bar.

Peter Smit van 52 jaar komt met het motto: het wezen van het zijn. Dat moet hij nog maar eens op een rustig moment uitleggen. De mooiste zin van Smit is: ‘Structuren sterven tot beeld.’ Of misschien toch zijn motto: Het wezen van het zijn. Dat is bijna net zo’n mooi motto als: Het leven. Het zijn in de ziel. Of: De normen en waarden.

Na Smit wandelt de stokoude J.C Aachenende naar het podium. Een haast deftige man in pak. En eindelijk stijgt het niveau van de avond. Hij schrijft gedichten met een humor, hardheid en kracht die deze avond nog niet gehoord werden, telkens gebruik makend van de begripsverschuiving. Misschien zit de begripsverschuiving wel niet alleen in zijn gedichten, maar ook in zijn leeftijd. Een bejaarde man de vraag horen stellen: ‘hoe vaak ben je niet met je dronken lijf van alle trappen afgedonderd?’ is heel anders dan de zoveelste populaire post-puber aan het woord te horen. Even is er dat sprankje hoop: komt het dan toch nog goed met deze eerste poëzieavond?

Maar met Jan Voetberg wordt direct duidelijk dat Achenende een eiland blijft deze avond. Als een leraar uit de jaren vijftig staat Voetberg met zijn handen achter. Hij geeft ons eerst college in hoe we zijn gedichten moeten lezen. We krijgen te horen wat backertjes en tjalken zijn en dan uitleg dat de griet een vogel is, om daarna getrakteerd te worden op een gedicht over Nederland waarin een pierlement speelt en een haringkraam staat en waarin de doe-maar-gewoon-mentaliteit tiert. ‘Een zoon die noemt zijn vader Piet, een fiets staat nergens veilig. Vijftien miljoen mensen, op dat hele kleine stukje aarde...’ neuriet een jongen aan de bar welwillend.

Vervolgens is het de beurt aan Bonne. Hij geeft aan er geen zin in te hebben vanavond. Hij ondersteunt daarmee de gedachte die langzaam de overhand moet nemen van het publiek tijdens deze Slag: niet alles kan altijd maar leuk en prettig zijn. Gelukkig is er die troostende gedachte, als hij er geen zin in heeft, hoeven wij dat ook niet te doen, dan mogen wij gewoon onze vingers in onze oren stoppen tot het heel erg stil wordt.

Na Bonne is het de beurt aan de twintigjarige Guilliano, die verlegen achter zijn teksten voordraagt. Hij vraagt ons mee te reizen in zijn verhalen.

‘Voetstappen op een onbekend terrein
Het schijnt te zijn
Is dit werkelijkheid.’
Hiermee verlost Guilliano Festina van de strompelende poëtenparade uit de eerste ronde.

2e Ronde

‘Ik ben een beest, en commandeer m’n dier,
m’n lijf en leden, en m’n slome fikken,
m’n slokdarm waar ik soms zo mee moet hikken,
mijn slappe lul en voorstandsklier.’ Achenende heeft de tweede ronde gehaald. ‘Wat is het toch een verfrissend oud mannetje,’ verzucht een jonge vrouw. ‘Echt heel anders dan mijn kankerende opa.’ Ook Gis krijgt nog een tweede kans:
‘Vindt zij mij niet
Dan zal ik haar niet zoeken.’
Zelfs Voetberg mag nog een keertje. Hij blijkt vrijwilliger te zijn op de stoomtram in plaats van leraar van een jongenskostschool in 1952. ‘Een mooie jongedame,’ zo verwijst hij naar een van zijn treintjes.’ Voetberg doet ook een klankgedicht over zijn knoerrrr die knurrrrft. Ja ja, het moge duidelijk zijn, we gaan straks allemaal als een rijker mens naar huis, of in elk geval verwarder.
Wederom is Guilliano een verademing: ‘Waar ik mij bevind is niet belangrijk
De Savanne is dood.’
Er is die twijfel of de Savanne wel zo morsdood is als enkele van de geesten die vanavond hun uitgewrongen ziel op tafel legden.

Juryrapport

Aarzelend begint Sven: Het is een Russische uitspraak die ik graag wil aanhalen voor deze avond: ‘De eerste pannenkoek is altijd een klont.’ Er klinkt wat geschuivel in de zaal. ‘Als ik eerlijk ben vond ik het niveau vanavond niet zo heel erg hoog.
Er werd veel op vorm gedicht en het was niet erg spannend. Jan Voetbergs treintje bleef op de rails rijden waardoor het een saai treintje was. Terwijl we hier willen spetteren en nieuwe dingen willen horen Guilliano hanteert geen vorm, hij is iemand die anders schrijft dan we gewend zijn vandaar dat hij een finaleplaats kreeg. Guilliano ga vooral door, maar voor jou geldt ook, je hebt de neiging om heel veel bijbelmetaforen te gebruiken en de symboliek komt veel terug, denk daar over na.

Dat oude treintjes goed lopen bleek ook vanavond. Hij is 74 jaar, maar had een heel jong publiek aan zijn lippen hangen. Het was verassend, waar en schokerend. Hier was een man die groot en breed was: J.C. Aachenende voor jou is de prijs vanavond.

Een daverend applaus vult Festina en Aachenede draagt nog een keer voor:

Hooglied

De winter is weg
En de kou uit de lucht,
De stortbui voorbij
En de wind nog een zucht.
De roep van de tortel
Wordt gehoord in het land.
Sta op, luie sloerie,
En kom uit je nest.
Maak koffie en broodjes
Doe de was en de rest.
In het bad als de bliksem
Verschoon ook het kind.
Uit de veren verdomme,
Aan het werk en gezwind.

Het moge duidelijk zijn hij was de gedoodverfde winnaar die met zijn oude lijf de avond leven inblies zoals de wolf het huis van de drie biggetjes omver blies. Hij gaat terecht met de pot naar huis, blij en waardig, zoals winnaars dat doen. Het lijkt het gebruikelijke einde van de avond te zijn, maar dan gebeurt er plots toch nog iets heel verrassends. Bonne is ongevraagd achter het katheder geklommen.  “ALLEMAAL!” schreeuwt hij. “AANDACHT, VOOR MIJ!! LUISTER GODVERDOMME NAAR MIJ!!!” En daarmee lijkt Bonne het motto van deze Poëzieslag bij de lurven te hebben, maar misschien had hij deze dwingende mededeling, deze agressieve eis beter als vraag kunnen stellen. Dan hadden wij hem op onze beurt kunnen vragen: ‘Waarom dan? Heb jij iets geschreven dat de moeite waard is om naar te luisteren?’
‘IK HEB NOG EEN PORNO RAP!!!!!’. Wellicht dat Bonne zichzelf daarmee warm kan houden op koude winteravonden, in Festina wordt in elk geval de muziek aangezet. Genoeg is genoeg.