Slag der eendimensialen, hoe dichtend Nederland ontleest
Of: Het is altijd lente in de ogen van de tandartsassistente
verslag door Aukelien Weverling
Propje, propje, maar dan ook propje vol, dat is Festina op dinsdag 6 februari tijdens de Poëzieslag. Tien dichters hebben zich aangemeld en het is dus niet alleen dringen bij de tap, maar ook achter het katheder. Waar de eerste dichter van de avond, Manuel, ons warmdicht met: “Brood, dood, rood, brood, dood..’ het belooft een geweldige avond te worden.
Een avond waarin vrijwel elke dichter het niet zal schuwen de aankomende lente te begroeten, wat aardig is voor de lente, maar eentonig voor het publiek. De seizoenen, ze blijven een onuitputtelijke bron van inspiratie. Berry Tunderman, de tweede dichter van de avond, vertelt: ‘Er schijnt weer een lente aan te komen
Ik vind het helemaal niks.’ Hij waarschuwt: ‘Ook al zal ik mijn hoofd verliezen
Mijn tuin blijft winterklaar.’ Rough winds do shake the darling buds of May (sonnet 18, Shakespeare, red.) is natuurlijk andere kost, maar Gorter zei het al:
‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid,
ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht’
Tsja, je kunt wel zoveel willen, dit keer horen we Tuinderman. Die zegt: ‘haar sigarettenrook kringelt als een paaldanseres’ een zin die een jongen de opmerking ontlokt ‘ah hij is een observator.’.
Wouter de Jong, is de volgende dichter, naast barman van De Tuin blijkt hij een gevoelige jongen te zijn die moeiteloos uit zijn eigen fust emoties tapt. Dat levert fraaie zinnen op als ‘Soms zijn tranen geen gesprek’ en ‘Zoals je eigen woede ook verdriet is.’
Don Kwast, neemt het feilloos van hem over met de zin: ‘Ik hef mijn glas op levenszin,
Het neemt haast geen plaats in.’
De oubollige zinnen van Kwast zorgen inderdaad dat je vraagtekens stelt bij dit leven en het nut ervan, maar gelukkig is daar Kapitein Lafbek die het van hem overneemt. Hij komt uit Hoorn, maar is kennelijk niet bang voor de grote stad.
‘Ik zag in jouw schraalheid
De wil tot overleven.We zouden een tijd
neerzetten
die zijn weerga niet had’
Een luid gejuich klinkt al direct na het eerste gedicht wat Kapitein Lafbek voordraagt en het publiek is op haar tenen gaan staan. Dat drie minuten ook snel voorbij kunnen gaan, wordt duidelijk bij deze voordracht.
Dan is het de beurt aan Ilona Verhoeven, ze heeft een gedicht over allemaal karretjes, ze komen overal vandaan en rollen net zo snel weer weg. Ook heeft Verhoeven een verfrissende constatering: Het jaar is nog maar net begonnen
Of daar is de nieuwe lente al.’
Het is bijna even beeldend als het gedicht dat Heinrich Heine schreef over de maand mei:
‘Im wunderschönen Monat Mai,
Als alle Knospen sprangen,
Da ist in meinem Herzen
Die Liebe aufgegangen
Im wunderschönen Monat Mai,
Als alle Vögel sangen,
Da hab ich ihr gestanden
Mein Sehnen und Verlangen.’
Het is natuurlijk flauw dichters van de Poëzieslag te vergelijken met de groten der aarde, want dan zou het een streven moeten zijn van de dichter om het beste uit zichzelf te halen, wat vaak heel hard werken is. Ga er maar eens aanstaan.
Als een sneltrein razen de dichters voorbij, Dick uit Den Haag heeft de plek van Ilonka overgenomen en laat zien dat herhalen ook een stijl kan zijn, Gerben de Ruiter zegt: ‘Als zij in dia’s naar voren treedt
Moet hij haar helpen huilen.’ Bonne Postma doet een gedicht over geldingsdrang: ‘ik, ik, ik, ik, ik.’ Het hoeft allemaal niet zo ingewikkeld te zijn, dat bewijst ook Project Wildeman, dat bestaat uit Robin Block en twee andere jongens die met hummen en een beetje muziek een achtergrondkoor vormen. ‘Moraal is slaventaal, moraal is slaventaal, moraal is slaventaal,’ dreunen ze zachtjes moraliserend door de Festina heen. ‘Leuk dat er ook een neger bij hun groepje zit,’ fluistert een klein meisje. Project Wildeman vervolgt onverstoorbaar met de zin: ‘Waarom...?
Omdat ik het kan...
Waarom...?
Omdat ik het kan...’ Er wordt bloedserieus getrommeld.
‘En omdat het van Felix mocht, ‘ fluistert hetzelfde meisje terwijl ze naar de eigenaar van de Festina kijkt.
2e ronde
Doorgestroomd naar de tweede ronde zijn uiteindelijk: Gerben de Ruiter, Kapitein Lafbek, Project Wildeman, Manuel en Wouter de Jong. Maar eerst draagt Da Skuuks voor, buiten mededinging. Hij heeft twee gedichten over massaslachting. Een beetje depri wordt je er wel van, maar ja, je hoeft niet overal maar gelukkig van te worden.
Het juryrapport
Sven haalt zijn hand door zijn haar en vangt dan aan met het juryrapport: ‘Er waren vanavond tien dichters dus ik bespreek alleen de tweede ronde en de finale. Vorige maand waren er maar zes dichters, maar toch was de kwaliteit toen een stuk beter. Vanavond kwam er veel rijmdwang voorbij en veel gedichten waren eendimensionaal terwijl poëzie verder moet gaan dan een eendimensionale gedachte.’ Beneden aan de trap klinkt gemor. De eendimensionalen, proberen al jaren vaste voet aan de grond te krijgen als stroming, maar zijn ook vanavond weer niet begrepen.
Sven vervolgt: ‘Gerben, je schreef een mooie cyclus over Ernst en had een expressieve voordracht, een prachtige dictie en goede timing, maar helaas, de gedichten bleven eendimensionaal.’ Gerben haalt zijn driedimensionale schouders op.
‘Wouter, je hebt prachtige zinnen die deden denken aan ErikJan Harmens, maar je las ze telkens voor in hetzelfde ritme en je hebt te weinig te zeggen.’ Wouter kijkt teleurgesteld, dat hoeft niet. Een goede barman is er om te luisteren.
‘Manuel, jouw tekst stond bol van het rijm, maar je wist het wel te brengen. Helaas kon je voorspellen wat er komen zou. Onze raad is: lees meer.’ Een paar dichters kijken onthutst naar het katheder, wat zegt die gekke Sven nou weer, lezen?
‘Dat ga ik dus echt niet doen, hè,’ mompelt een opstandige dichter tegen een collega, die knikt: ‘Lezen is voor nerds.’
‘Dan de finale... Project Wildeman. Jullie ritme werkt hypnotiserend. Jij en ik, beton... Jij en ik beton... jij en ik beton... het blijft je voor altijd bij. Robin Block soleert er telkens doorheen, maar het is telkens hetzelfde ritme met een andere boodschap erin, Het hangt tussen poëzie en muziek in. De opbouw is mooi en het heeft potentie maar de aandacht verslapt. Werk er nog eens aan.’
Sven schraapt zijn keel: ‘Dan Kapitein Lafbek... Het gedicht over de oude Rossenaar was geweldig. Het is makkelijk om negatief te dichten, maar als je het gemene en het platte zo kan brengen dat het een café vol mensen aantrekt, ja dan kun je wel wat. De prijs gaat vanavond dan ook naar jou.’ Er klinkt een daverend applaus.
En zo is het natuurlijk ook, al wat goed is komt in drieën, maar originaliteit staat altijd alleen. Kapitein Lafbek klimt de trap op en leest nog een keer uit zijn logboek voor:
‘Sta op
ouwe Rossenaar
je vrouw is dood.
Steek je kop onder de kraan
Je trotse dooraderde kop
En zwijg het volk toe.
Schuw geen enkel cliché.
Melaatse Messias
pijnpunt van de mensheid
komma van de massa althans
kromme spijker van de onmacht
jengelende scharnier van krantenwijsheid.
Je dreef het hele zootje de zee in
want je wilde oorspronkelijk zijn
niet langer aangekwijld door oude wijven.
Maar oorspronkelijkheid is een spartelend wijf
hé... dat laat zich niet zomaar in de kut kijken
dat weet jij nu ook
Ouwe Rossenaar, sta op, ze is dood
maar je zoontjes zijn professoren geworden.
Ze bezegelen hun schrandere moederskant.
Jij hebt ze plechtig voorgelezen uit de krant.
Ouwe Rossenaar
Maffe gesjeesde mavo-leraar
jij bent het leven
jij bent de liefde
jazeker!’