![]() |
|
| eetcafé | Amsterdam dinsdag 7 september 2010 |
| HOME | MENU | AGENDA | DE WC DEUR | POëZIESLAG | INSCHRIJVEN | CONTACT | ||
![]() TERUG |
verslag poëzieslag di 6 maart 2007 Dertien dichters in een dozijn, is dat niet fijn?
Violet Jongejans is de eerste. Zij heeft het woord ‘denken’ onlangs opgenomen in haar vocabulaire en daar het gedicht Gedachtenloos over gemaakt: ‘ ‘En ik denk/ wat ik dan eens denken zou/ En ik denk hoe we aandachtig geen gedachten hadden,’ is een van de strofes die zij deelt met het publiek. Jongejans is een heuse denktank, dat moge duidelijk zijn.
Na haar is het de beurt aan Randell, een oude bekende, de multidisciplinair, zelfreflecterend kunstenaar (beter bekend van de briefjes in de supermarkt Atomen zijn ruimteschepen), klimt in Bagwan dresscode de trap op. ‘Ik hoop dat hij weer zo prachtig voor ons gaat zingen,’ zucht een jonge vrouw tegen haar vriendin.’ Ze komt niet bedrogen uit, want ook nu is Randell erin geslaagd de kunstdisciplines dichten en zingen naar elkaar toe te trekken. Dans zou het compleet maken, maar wat niet is kan nog komen. Voor nu: de wereld is alles wat het geval is, schreef Wittgenstein, en dat is dus Randell die op het podium zingt: Ik heb een klok om alleen te staan/ Aaahwaaawoewaa/ Aaahwaaawoewaa/ Aaahwaaawoewaa/ Aaahwaaawoewaa/ Ik heb een klok om alleen te staan.’ In het tweede gedicht geeft Randell aan voor de eeuwigheid te gaan, maar Sander tikt hem af. Dat bewaren we dan maar even voor een andere keer.
Na hem doet het publiek breuken met Niels Schoenmaker die er in geslaagd is liefde op te delen in partjes. ‘Hitler deed breuken met mensen, dan is dit toch weer heel anders’ zegt een lange jongen wijs, terwijl Niels plaats maakt voor de oude rot in het voordraagvak: Peter M van der Linden. ‘Mijn warm konijn/ ligt er warmpjes bij/ in de oven.’ Zijn voordracht is nog dwingender geworden sinds de laatste keer dat hij het podium in Festina beklom en het gedicht Alzheimer dat hij voordraagt ontroert en doet pijn waar het pijn moet doen, vanbinnen, en niet vanbuiten zoals veel slampoëten nog steeds denken.
Na hem rent Adriaan Krabbedam enthousiast het podium op, die ons trakteert op wat verhalende gedichten. Terry Frank volgt hem op. Zij komt oorspronkelijk uit Oostenrijk en leerde Nederlands via Gorter en Lucebert, wat knap is omdat de meeste mensen dat toch gewoon via Aap Noot Mies doen. ‘De rivier is maar een herinnering/ En het woord een handvol verroeste spijkers.’ Dat laatste zou je niet zeggen als je naar Frank luistert, haar teksten zijn verzorgd en beeldend, maar het zou haar wel ten goede komen als ze wat zou doen aan haar uitspraak, misschien door te luisteren naar de Hella Haasse en Adriaan van Dis? Die hebben vast wel geschikte luisterboeken.
Na een korte pauze, waarin er maar nauwelijks ruimte is voor een drankje, want dertien dichters vreten nou eenmaal tijd, vangt het circus weer aan. Niels de Jong zegt: ‘O, goden leen ons uw stem/ in het oerwoud van straten.’ Tsja, het is een wens.
Laura vertelt dat ze een politiek geëngageerd gedicht wilde schrijven, maar niet boos genoeg was. ‘Ik wil een pony om op te rijden/ aan een getij dat nooit keert/ En een geweer/ om ons te beschermen.’ Haar zinnen hebben een mooi ritme en haar voordracht is sterk. Ze trekt het niveau van de avond omhoog, dat gelijk een duikvlucht neemt met de Haiku van Barry Tunderman die geen tweede keer wordt voorgedragen, omdat sommige gebruiken er zijn om in onbruik te raken. Bettine, die dan wel geen ondermaatse Haiku heeft, weet van de duikvlucht toch een mooie flatline te maken: ‘Ik fiets naar huis/ verschuift er plotseling een wolk.’ Zo begint ze haar gedicht én dat is natuurlijk ook niet niks. Dan neemt het nogal lange gedicht een vreemde wending en gaat het opeens over haar ongesteldheid ‘Welgeteld/ al twee maanden niet meer ongesteld...’ Zwanger dus, daar hoef je geen dokter voor te zijn. Telkens komt de maan in haar werk naar voren. Dat is niet gek, er is deze maand een maansverduistering geweest, vrijwel elke deelnemer aan de slag heeft daar een gedicht over geschreven. Wat valt er anders te zeggen dan, een dichtershand is snel gevuld.
Menno is de volgende die zijn zegje komt doen. Hij vertelt ons over vreeteilandjes in de oceaan en even zingen we allemaal tezamen de repeterende zinnen uit zijn gedicht: ‘Eén, twee, drie, vier/ hoedje van papier.’ Een welbekend rijm that never runs out of style.
Johan Goossens heeft een stevig aantal humoristische gedichten. Zoals Negerlied ‘Kijk mij eens met een neger praten!/ God wat kan ik dat toch goed/ Gewoon met een neger praten / Op gelijke voet.../ Hoe lang woon je al in Nederland? /En waar kom je vandaan? /Was het oorlog of adoptie?/ En heb je al een baan? /Voel je wel eens heimwee?/ Verlang je naar je roots?/ Het is wel moeilijk he, dat Hollands?/ Maar je doet het erg goed!’ Zijn gedicht doet een beetje denken aan Joop Vissers liedje Laatst nog een aardige Duitser ontmoet en het publiek hangt dan ook lachend aan zijn lippen.
De 22-jarige Roberta sluit de stoet dichters af. ‘Hij was een oud kind met een klein vlinderdasje,’ Roberta neemt een pauze, ‘Zij was een eenzame vrouw met een vergeten lichaam,’ Roberta neemt een pauze, ‘Zij stond het liefste in de keuken of onder de douche,’ pauze, er klinkt wat gerommel in het publiek, het is niet duidelijk of je in haar pauzes iets voor jezelf moet gaan doen, of gewoon moet wachten tot ze weer begint te praten. ‘Die pauzes brengt ze aan om haar woorden kracht bij te zetten,’ zegt een lange jongen in een windjack tegen zijn vriendin. ‘Misschien... ik ben in elk geval blij dat ze haar telefoon niet heeft opgenomen tijdens de voordracht van die andere dichter, als ze altijd zo langzaam praat, was er geen einde aan dat gesprek gekomen.’ ‘Had ze nu niet kunnen optreden.’ Knikt de jongen in het windjack wijs.
Na de eerste ronde mogen Terry Frank, Laura, Johan Goosens, Peter M. v/d Linden, Roberta en Niels Schoenmakers nog een keer het podium op. ‘O maan!’ roept Niels tijdens zijn voordracht. ‘Oman, het land?’ vraagt een klein meisje. ‘Nee, die gele bol in de lucht, corrigeert een vriendelijke jongen haar. De aandacht van het publiek is verslapt. Gelukkig kondigt Sven niet veel later de drie finalisten aan: Laura, Peter M v/d Linden en Johan Goossens mogen nog een keer een worp doen naar de prijs.
Juryrapport
‘Het was echt goed vanavond en de jury had moeite een keuze te maken,’ Sven houdt zijn hand in de lucht om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Bijna alles kwam boorbij vanavond en wij als jury letten op alles tegelijk: op taalbeheersing en heeft de taal appeal, (aantrekkingskracht, red.) en voordracht. Als dichter moet je al die dingen ambiëren. Omdat er zo veel dichters voorbij kwamen, beperk ik me tot de drie finalisten.’ Er klinkt een zucht van gemeenschappelijke opluchting door de zaal.
‘Johan, light verse is een onderschat genre, niks is zo moeilijk om te maken. High verse is een light verse,’ Sven laat even een stilte vallen en doet daardoor denken aan Roberta die bij de bar een sigaar staat te roken: ‘Johan, jouw light verse was tot in de puntjes verzorgd, je zat dicht op de huid van de tijd en je timing was perfect net als je voordracht. Dan Peter... Peter was poëtisch gezien het beste. Hij personifieert objecten en dieren en zijn gedichten raken je diep vanbinnen. Laura is vooral van het brede spectrum. Ze beheerst alles. Dit is een echte slamster, ze weet waarmee ze bezig is en is telkens verrassend. Ze probeert van alles en misschien is niet alles even briljant, ze was vanavond in elk geval spannend, interessant en authentiek. Daarom heeft ze ook gewonnen. Nog even blijft het publiek stil als zij voordraagt:
‘Volwassen magere, witte mannen die naakt met z’n allen op beschimmelde tenen lopen door het park van een kleine stad
Ze hebben iets op het hart kijken verlangend naar de kleine gouden vogel op het dak van de kerk
Wij zoeken God of een sekte of een vrouw zie ons nou, we geven ons over (overgeefsel loopt rood uit de mond)
We zijn naakt voor jou of je geloof in mijn ogen wil blazen
We zijn een waterballon met paarse aderen
Red me Red me Red me
Ik ben een arme, doodnormale man.
|